De zaak betreft een hoger beroep van de man tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake kinderalimentatie voor hun gezamenlijke minderjarige kind. De man betwistte de vastgestelde alimentatiebedragen en voerde met name bezwaren aan tegen de draagkrachtberekening van de vrouw en de toegepaste zorgkorting.
Het hof bevestigt de behoefte van het kind en de draagkracht van de man, maar stelt de draagkracht van de vrouw per drie periodes vast, rekening houdend met haar inkomenssituatie (Ziektewet, WW-uitkering, en onzekerheid na september 2022). Het hof wijkt niet af van de forfaitaire normen en wijst het bewijsaanbod van de man over vermeend inkomen uit handel in pups af wegens onvoldoende onderbouwing.
De zorgkorting wordt vastgesteld op 5%, omdat de omgangssituatie ongewijzigd is en er al lange tijd geen contact is tussen de man en het kind. Het hof berekent de alimentatiebedragen per periode en vernietigt de beschikking van de rechtbank om deze bedragen opnieuw vast te stellen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.