De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Limburg over de omgangsregeling met haar minderjarige kind, die ruim tien jaar in een gezinshuis verblijft onder voogdij van een gecertificeerde instelling (GI).
De moeder verzocht om een ruimere omgangsregeling, waarbij het kind om de veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij haar zou verblijven. De rechtbank had echter bepaald dat de omgang eenmaal per drie weken onder begeleiding plaatsvindt, met de wens van het kind leidend voor duur en doorgang.
Het hof oordeelt dat gezien de complexe problematiek van het kind, waaronder hechtingsstoornis en ADHD, en het belang van veiligheid en voorspelbaarheid, de omgang begeleid moet plaatsvinden. Het kind wil contact maar niet logeren bij de moeder en vindt omgang eens per paar weken voldoende. De omgangsregeling van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd. De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar incidenteel verzoek.
Het hof benadrukt dat de GI haar regierol moet vervullen en de omgang concreet moet vormgeven en communiceren met de moeder. De omgangsregeling moet het contact herstellen zonder het kind te belasten.