Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/328186 / HA ZA 17-793)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 november 2020;
- de memorie van grieven tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 235 Rv Pro d.d. 23 maart 2021 met drie producties;
- het antwoord op de incidentele vordering ex artikel 235 Rv Pro d.d. 20 april 2021 met drie producties;
- de akte vermindering van eis, intrekking incidentele vordering ex artikel 235 Rv Pro d.d. 20 april 2021;
- de memorie van antwoord d.d. 6 juli 2021 met vijf producties;
- de bij H-12 formulier d.d. 2 juni 2022 door [appellant] overgelegde akte overlegging nadere producties met twee producties (genummerd 4 en 5);
- de mondelinge behandeling van 15 juni 2022, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
omtrent het door [appellant] te leveren tegenbewijs
voorafgaandaan [appellant] over de zone PZ12 zijn gevlogen, volgt dat piloot [persoon D] op een hoogte van 263 meter over de zone is gevlogen, piloot [persoon H] op een hoogte van 355 meter, piloot [persoon I] op een hoogte van 200 meter en piloot [persoon G] op een hoogte van 362 meter. Voorts staat vast dat zij allen ten oosten van de kooi over dan wel langs het perceel van [geïntimeerde] zijn gevaren. [persoon C] vloog
na[appellant] om 08:19 uur op een hoogte van 77 meter ten oosten van de kooi over dan wel langs het perceel van [geïntimeerde] .