De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vals identiteitsbewijs van Guinee en het gebruik daarvan bij de gemeente Heerlen. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd wegens een andere bewezenverklaring. Het hof stelde vast dat verdachte het valse identiteitsbewijs via een vriend op Facebook had verkregen en bewust gebruikte om zijn ongeboren kind te erkennen.
De verdediging voerde primair vrijspraak aan en subsidiair een beroep op overmacht wegens noodtoestand, omdat verdachte in een dilemma zou hebben verkeerd tussen erkenning van zijn kind en het gebruik van een mogelijk vals document. Het hof verwierp dit verweer omdat geen sprake was van een actuele noodsituatie of een acuut belangenconflict.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat het identiteitsbewijs vals was en dit gebruikte. Gelet op de ernst van het feit, het justitiële verleden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, legde het hof een gevangenisstraf van 2 maanden op, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest.