3.1.In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad in de periode van eind 2013 tot begin 2018.
Ten behoeve van de door [appellant] in 2014 opgerichte onderneming [X] Automobielen is uit een openbare veiling de woning met bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna "het pand") aangekocht voor een bedrag van € 301.000,=. Bij akte van 12 januari 2015 (productie 29 bij conclusie van antwoord in reconventie) is het pand aan [geïntimeerde] geleverd.
De koopsom voor het pand is in verschillende betalingen aan de notaris voldaan. Twee betalingen van in totaal € 60.000,= (respectievelijk € 50.000,= op 31 december 2014 en € 10.000,= op 2 januari 2015) zijn afkomstig van de bankrekening van [geïntimeerde] . Drie betalingen van in totaal € 111.922,19 (respectievelijk € 30.100,= op 17 oktober 2014, € 50.000,= op 31 december 2014 en € 31.822,19 op 2 januari 2015) zijn afkomstig van de bankrekening van [appellant] .
Bij schriftelijke huurovereenkomst van 28 januari 2015 heeft [geïntimeerde] het pand aan [appellant] verhuurd voor de periode van 1 februari 2015 tot en met 31 januari 2018, tegen een huurprijs van € 1.000,= per maand.
Voor de uitoefening van zijn bedrijf heeft [appellant] vanaf eind januari 2015 diverse bedragen geleend van [geïntimeerde] . Op deze leningen vonden ook weer aflossingen plaats. Feitelijk was sprake van een soort rekeningcourant-verhouding tussen partijen. Om fiscale redenen hebben partijen de lening(en) geformaliseerd in een overeenkomst van geldlening van 3 juni 2016 (hierna: de geldleningsovereenkomst), waarbij een rente van 4% per jaar over het openstaande bedrag is overeengekomen. Partijen twisten over de hoogte van het nog openstaande bedrag.
In februari 2018 heeft [appellant] het pand verlaten en de sleutels afgegeven aan [geïntimeerde] .
Na daartoe verkregen verlof (beschikking van 30 mei 2018 van de voorzieningenrechter) heeft [geïntimeerde] ter zekerstelling van verhaal van haar vordering uit hoofde van de huurovereenkomst en de lening, in juni 2018 conservatoir beslag laten leggen op een elftal auto's van [appellant] en conservatoir derdenbeslag laten leggen onder ASR Levensverzekering N.V. en Aegon Spaarkas N.V.
3.2.1.In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] in conventie, voor zover na splitsing van het geding nog aan de orde, de veroordeling van [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 135.872,30, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld met de nummers I en II achter randnummer 3.1 van de inleidende dagvaarding, herhaald als nummers V en VI in het petitum onder “
MITSDIEN”. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zij op 3 juni 2016 een overeenkomst van geldlening is aangegaan voor een bedrag van € 87.500,= tegen een jaarlijks verschuldigde rente van 4% over de hoofdsom. Op basis van dezelfde condities zijn daarna volgens [geïntimeerde] nog meer bedragen aan [appellant] geleend, bestemd voor de aankoop van de handelsvoorraad van [appellant] . Per saldo bedroeg het op grond van deze leningen verschuldigde bedrag € 135.872,30, een en ander als gespecificeerd achter randnummer 3.3 van de inleidende dagvaarding. In de leningovereenkomst is opgenomen dat de lening opeisbaar wordt wanneer ofwel de rente niet tijdig wordt voldaan, ofwel [appellant] zijn bedrijf (grotendeels) staakt. Aan beide voorwaarden is voldaan, zodat de lening ineens en volledig opeisbaar is geworden. Om betaling te verkrijgen heeft [geïntimeerde] incassokosten moeten maken die zij begroot op € 2.400,30.
3.2.2.[appellant] heeft de omvang van de gestelde geldlening betwist. Hij voert daartoe aan dat het openstaande saldo € 114.482,= bedraagt exclusief rente, als gespecificeerd in de producties 3a tot en met 3d bij de conclusie van antwoord/eis. Voorts stelt [appellant] dat [geïntimeerde] en haar zoon rijden in auto’s van [appellant] met een gezamenlijke waarde van € 41.900,=. Verder stelt [appellant] dat hij een bedrag van € 111.971,26 heeft meebetaald bij de aankoop van het pand en € 2.215,16 aan de toenmalige hypotheek en € 1.000,= aan opstartkosten voor de makelaar. [appellant] heeft gesteld dat hij, door hem betaalde verbouwingskosten meegerekend, van [geïntimeerde] nog een bedrag tegoed heeft van € 129.154,42 te vermeerderen met de helft van de bij verkoop te realiseren overwaarde van het pand, zijnde de helft van wat deze zaak meer opbrengt dan € 436.186,42, omdat deze zaak gemeenschappelijk eigendom is van hem en [geïntimeerde] . Bij dupliek in conventie heeft [appellant] nog aangevoerd dat [geïntimeerde] de autovoorraad van zijn bedrijf heeft laten veilen.
3.2.3.In reconventie heeft [appellant] de verdeling gevorderd van een volgens hem bestaande (beperkte) gemeenschap van goederen, aldus dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld volledig mee te werken aan de verkoop van de bedrijfsvoorraad en hetgeen verder tot het bedrijf van " [appellant] Automobielen" gerekend moet worden met onmiddellijke afgifte van hetgeen zij van het bedrijf onder zich heeft, zoals autosleutels en autobescheiden (kentekenbewijzen e.d.) en
dat zij wordt veroordeeld binnen een redelijke termijn over te gaan tot verkoop van het pand en met [appellant] te verrekenen de helft van de hogere verkoopprijs boven € 436.186,42. Voorts vordert [appellant] dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om, aan degene onder wie zij beslag liet leggen op datgene wat zij van [appellant] onder zich hebben, mede te delen dat de gelegde beslagen niet meer van waarde zijn, met veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade die [appellant] lijdt door het beslag op zijn auto's, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in reconventie. [appellant] legt daaraan ten grondslag dat zij gezamenlijk de eigendom van het pand hebben verworven, dat de eigendom daarvan slechts om fiscale redenen alleen op naam van [geïntimeerde] is gezet, maar dat partijen gezamenlijk in het pand geld hebben verdiend. Zij hebben volgens [appellant] ook sedert hun verloving samengewoond.
3.2.4.[geïntimeerde] heeft in reconventie verweer gevoerd. Zij voert aan dat [appellant] niet substantieel heeft bijgedragen in de aankoop van het pand. Verder betwist zij het bestaan van enige gemeenschap van goederen en stelt zij dat van samenwonen geen sprake is geweest, omdat zij altijd in [plaats] heeft gewoond, totdat [appellant] het pand in [plaats] had verlaten.
3.2.5.Na verwijzing naar het team handelsrecht van de rechtbank heeft de rechtbank op 9 oktober 2019 een comparitie gehouden. Bij het in incidenteel appel bestreden tussenvonnis van 15 april 2020 – zakelijk weergegeven – heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] niet betwist dat hij tot een bedrag van € 114.482,= exclusief rente geld heeft geleend van [geïntimeerde] en dat het verschil met het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag berust op bedragen die zij heeft overgeschreven naar een rekening van [appellant] onder vermelding van “storting” dan wel een type/merk van een auto (€ 19.000,=), alsmede een overboeking van € 1.972,30 naar Groentotaal Limburg B.V. (r.o. 4.2). Gelet op het verweer van [appellant] heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde] voor het verschil onvoldoende heeft onderbouwd dat dit berust op door haar aan [appellant] geleende gelden (r.o. 4.3 en 4.4), zodat slechts het door [appellant] erkende bedrag van € 114.482,= exclusief rente toewijsbaar is, alsmede de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zij het tot niet meer dan € 1.919,82. Deze beslissing is niet opgenomen in het dictum van het tussenvonnis.
In reconventie heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het de bedoeling en de wil van partijen is geweest om gezamenlijk eigenaar te worden van het pand en dat dit niet anders wordt door de omstandigheid dat de eigendom uiteindelijk alleen op naam van [geïntimeerde] is geregistreerd (r.o. 4.14). De rechtbank oordeelt op die grond dat [appellant] bevoegd is de verdeling van (de opbrengst van) het pand te vorderen, nu dat inmiddels was verkocht (r.o. 4.15).
De rechtbank heeft in dit tussenvonnis in conventie en in reconventie elke verder beslissing aangehouden om [appellant] de gelegenheid te bieden in reconventie de koopovereenkomst en leveringsakte betreffende het pand in het geding te brengen.
3.2.6.In het in principaal appel bestreden eindvonnis van 30 september 2020 heeft de rechtbank een eiswijziging van [appellant] in reconventie buiten beschouwing gelaten (r.o. 2.3). In conventie heeft de rechtbank onder verwijzing naar het tussenvonnis [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 114.482,= te betalen, te vermeerderen met de rente van 4% per jaar minus de betalingen van [appellant] over 2015 en 2016 van respectievelijk € 1.500,= en € 1.450,=. Verder is [appellant] veroordeeld tot betaling van € 1.919,82 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en tot betaling van € 1.421,78 wegens gemaakte beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In reconventie heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] aanspraak heeft op de helft van de bij verkoop van het pand gerealiseerde netto-overwaarde, berekend op € 36.466,79. De proceskosten in conventie en in reconventie heeft de rechtbank gecompenseerd.