De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het voorhanden hebben van stoffen en voorwerpen waarvan hij wist dat deze bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten volgens artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet. In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de politierechter vernietigd en het tenlastegelegde bewezen verklaard zoals omschreven, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.
De verdachte voerde aan dat de aangetroffen goederen achtergebleven waren na ontmanteling van eerdere hennepkwekerijen in 2010 en 2011 en dat hij deze niet eerder had kunnen verwijderen vanwege een lopende proeftijd. Het hof achtte deze verklaring ongeloofwaardig, mede omdat de politie doorgaans dergelijke goederen in beslag neemt en de verdachte de goederen niet in dezelfde samenstelling had opgeslagen. Ook de getuigenverklaring van de verhuurder van de loods ondersteunde dit oordeel.
Het hof stelde vast dat de hoeveelheid en aard van de aangetroffen goederen duiden op professionele, bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt. De verdachte wist dat het voorhanden hebben van deze stoffen en voorwerpen strafbaar was. Gezien het justitiële verleden van de verdachte en de ernst van het feit achtte het hof een taakstraf van 160 uren passend. Het hof verwierp het verweer dat aansluiting bij het uitgangspunt voor first offender facilitators passend zou zijn.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht met de genoemde strafoplegging.