Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/353893 / HA ZA 20-14)
2.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 14 september 2021;
- de memorie van antwoord van 7 oktober 2021 met 4 producties;
- de mondelinge behandeling van 30 augustus 2022 en de pleitnotities die [appellante] tijdens die behandeling heeft overgelegd.
3.De beoordeling
voordelig recht of vrijheid van passage en alle ander gebruik door en van den gang lopende langs de achter voormeld perceel gelegen huizen (bedoeld zijn de panden [adres 3] ) en uitkomende op de [straat adres 3]”;
“(…) met alle voor en nadelige regten en servituijten als van outs en specialijk met het regt of vrijheid van passage en alle andere gebruik door en van het gangetje lopende langs de drie huisjes van de Diakonie en uitkomende aan de [straatnaam] voors als wijlen juffrouw de weduwe [persoon A] als laatste huurderse van opgem huijsinge den Bontemantel, van het selve gangetje altoos gehad en genoten heeft (…)”
“met dit voordelig Regt, of vrijheid van Passage, en alle andere gebruijk door en van het Gangske, lopende langs de voorsz.: Diaconie Huisjes, en uijtkomende aan de [straatnaam] , als bij de Bewoonders en gebruijkers van het gemelde Huijs den Bontemantel van het selven Gansgke hebben gehad(…)”.
‘voor zover nog niet uitgewerkt’, nog steeds aldus [appellante] .
NJ1914, pag. 729; ECLI:NL:HR:1914:163). Voor zover in het Placaet van Karel V van 10 mei 1529 dan wel in het Placaet van 23 juli 1545 was beoogd om in het destijds geldende recht voor de vestiging van een erfdienstbaarheid te bepalen dat deze bij gerechtelijke akte diende te geschieden, dan leidden deze wettelijke bepalingen er niet toe dat het ontbreken van een zodanige akte nietigheid van de erfdienstbaarheid ten gevolge had (HR 17 april 1914,
NJ1914, pag. 729; ECLI:NL:HR:1914:163). Het hof gaat er dan ook vanuit dat in onderhavige zaak was voldaan aan de vormvereisten voor de vestiging van een zakelijk recht.
geblevenvan de Eindhovense diaconie der armen van de Nederlands Hervormde kerk. Het hof begrijpt de stellingen van [appellante] aldus dat er sinds de vermelding van het recht in de akte van 1755 voor het eerst in 1921 een opvolging onder bijzondere titel heeft plaatsgevonden met betrekking tot de eigendom van het (dienende) perceel [adres 3] . Partijen hebben niet gesteld of de diaconie bij de overdracht van het perceel [adres 3] al dan niet heeft vermeld dat op het perceel een zakelijk recht van erfdienstbaarheid rust ten behoeve van het belendende perceel aan de [straat adres 1 en 2] . Ook uit de overgelegde producties is dit niet gebleken. In 1934/1935 is, zo is onbetwist door [appellante] gesteld, de oorspronkelijke bebouwing uit 1711 gesloopt, waarna het pand is gebouwd dat thans eigendom is van [appellante] . Vastgesteld kan worden dat het perceel [adres 3] bij het bouwen van het huidige pand in 1934/1935 door de toenmalige eigenaar opnieuw op een zodanige wijze is ingericht dat het recht nog steeds kon worden uitgeoefend; aan de achterzijde van het perceel en aan de linkerzijde is een strook onbebouwd gebleven waardoor de huidige steeg ontstond. Hiermee werd voldoende doorgang verleend aan de bewoners van het perceel aan de [straat adres 1 en 2] om, zoals wordt vermeld in de aktes uit de achttiende eeuw, vanaf de achterzijde van laatstbedoeld perceel naar de [straat adres 3] te kunnen gaan. Ook is, nadat de diaconie de eigendom van het perceel onder bijzondere titel had overgedragen, door de Dommelsche Bierbrouwerij als opvolgend eigenaar in haar brief van 1 mei 1989 erkend dat zij het recht moeten respecteren van bewoners van het perceel aan de [adres 2] om gebruik te maken van de steeg om naar de [straat adres 3] te gaan. Ook in de notariële akte d.d. 19 december 2007, waarmee het perceel [adres 3] door InBev is geleverd aan [appellante] , wordt het recht vermeld. Daarbij wordt het recht telkens aangeduid als een erfdienstbaarheid, waarmee zowel in 1989 (ten tijde van de gelding van het OBW) als in 2007 (naar huidig recht) het zakelijke respectievelijk absolute recht wordt bedoeld om van een anders erf gebruik te mogen maken.
‘voor zover nog niet uitgewerkt’kan op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat ruim twee eeuwen eerder niet beoogd was om een zakelijk recht te vestigen en leidt dan ook niet tot een ander oordeel.
ius in re alienaniet tot die heerlijke rechten.
non usus
voorafgaandaan de invoering van het OBW in 1838 een periode is geweest van 20 jaar (onder het oud vaderlands recht) respectievelijk 30 jaar (ten tijde van de gelding van het Wetboek Napoleon ingerigt voor het Koninkrijk Holland respectievelijk de Code Civil) gedurende welke er geen gebruik is gemaakt van de erfdienstbaarheid, zodat deze op grond van de in die periodes geldende verjaringstermijnen door non-usus teniet zou zijn gegaan. De stelling dat er tussen de vestiging van de erfdienstbaarheid en de aktes uit 1969 geen gebruik bekend is, is daartoe onvoldoende. Het hof neemt om die reden als vaststaand aan dat de erfdienstbaarheid ten tijde van de invoering van het OBW in 1838 nog niet door non-usus teniet was gegaan. Dat in de akte van 14 maart 1969 wordt vermeld dat er ten behoeve van [perceel 5] een erfdienstbaarheid is gevestigd ‘voorzover nog niet uitgewerkt’, brengt op zichzelf niet mee dat de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat de erfdienstbaarheid in 1838 reeds was vervallen.
Splitsing en vermenging van de percelen