Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[verdachte] ,
(parketnummer 20-003368-13)ter zake van “medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft” veroordeeld tot straf.
- de veroordeelde en de medeveroordeelde hebben, in hun hoedanigheid als bestuurders van [stichting 1] , bewerkstelligd dat kantoorpanden in Barendrecht (hierna: de kantoorpanden) in eigendom werden overgedragen aan en op naam werden gesteld van [rechtspersoon 2] ;
- hiertoe hebben zij op 26 november 2001 een geldbedrag overgemaakt van [stichting 1] naar [rechtspersoon 1] , welk bedrag vervolgens – via Costa Rica – op 17 december 2001 op de derdengeldrekening van notaris [notaris 1] terecht is gekomen;
- deze gelden zijn later gebruikt voor de aankoop van kantoorpanden in Barendrecht, immers bij notariële akte van 7 maart 2002, gepasseerd door notaris [notaris 1] , zijn de kantoorpanden geleverd aan [rechtspersoon 2] met betrokkene en de medebetrokkene als vertegenwoordigers daarvan. Op 11 en 12 maart 2002 zijn van de rekening van notaris [notaris 1] bedragen afgeschreven in verband met de koop van de kantoorpanden, waarvan het verduisterde bedrag deel uitmaakte.
1. Inleiding
2. Juridisch kader
3. De beoordeling van het subsidiaire verweer
hetgeen [stichting 2] blijkens haar administratie van [rechtspersoon 2] te vorderen heeft of te zijner tijd te vorderen mocht hebben (arcering hof).Ten tijde van het vestigen van de hypotheek was die vordering nihil. [stichting 2] had immers geen eigen vermogen en derhalve ook geen vordering op [rechtspersoon 2] . Het hof stelt vast dat ook de verdediging op geen enkele wijze heeft aangetoond dat een dergelijke vordering alstoen bestond. Hieruit volgt dat door het vestigen van de hypotheek het wederrechtelijk verkregen voordeel niet aan de veroordeelde en de medeveroordeelde is komen te ontvallen, eenvoudig gezegd: zij beschikten nog steeds over de verduisterde gelden.
(hof: het verduisterde geld)terug zou komen”.
4. De beoordeling van het meest subsidiaire verweer
Vervolgprofijt
Redelijke termijn
Conclusie
BESLISSING
585.121,29 (vijfhonderdvijfentachtigduizend honderdeenentwintig euro en negenentwintig cent);
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 580.121,29 (vijfhonderdtachtigduizend honderdeenentwintig euro en negenentwintig cent);