De zaak betreft de verlenging van een ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen, geboren uit een inmiddels ontbonden huwelijk. De kinderen staan sinds 2016 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). De rechtbank had de ondertoezichtstelling verlengd tot 1 november 2022 en de verdere behandeling aangehouden tot 1 juli 2023 in afwachting van een verslag van de GI.
De moeder is tegen de verlenging in hoger beroep gegaan en betoogt dat er geen ernstige bedreiging is door het ontbreken van contact met de vader en dat traumabehandeling eerst prioriteit heeft. Zij uit kritiek op de wisselende hulpverleners en het handelen van de GI. De GI stelt dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door de conflictueuze verstandhouding tussen de ouders, het ontbreken van contact met de vader en het ontbreken van adequate traumabehandeling.
De vader benadrukt de problematiek van ouderverstoting en hechtingsproblemen en ondersteunt het behandeltraject bij een gespecialiseerde instelling. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de verlenging te bekrachtigen. Het hof volgt de rechtbank en GI in de beoordeling dat de gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn en acht de maatregel noodzakelijk om het behandeltraject in goede banen te leiden. De beschikking wordt bekrachtigd.