Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de afwijzing van haar verzoek tot ondertoezichtstelling van haar twee minderjarige kinderen, geboren in 2005 en 2008. De rechtbank Limburg had het verzoek afgewezen, en de moeder wilde via het gedwongen kader hulpverlening bewerkstelligen vanwege een vermeend loyaliteitsconflict en bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen.
Het hof heeft in het hoger beroep de feiten en standpunten van partijen en de Raad voor de Kinderbescherming beoordeeld. De kinderen wonen sinds augustus 2021 bij de vader en hebben geen contact met de moeder. Uit gesprekken met de kinderen bleek dat zij geen contact met de moeder wensen en zich goed voelen bij de vader. De raad en bijzondere curator adviseerden geen ondertoezichtstelling omdat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.
Het hof overweegt dat de moeder onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd voor de gestelde bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen. De kinderen zijn mentaal sterk en positief, en zij weten zelf de weg naar hulpverlening te vinden indien nodig. Het hof concludeert dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling en dat een dergelijke maatregel contraproductief zou zijn.
Daarom bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank Limburg en wijst het het hoger beroep van de moeder af. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.