In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte als bedrijfsleider medepleger was van het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel aan een werknemer door het niet naleven van veiligheidsvoorschriften bij een ontladingsmachine. De werknemer raakte op 30 november 2015 met zijn arm bekneld doordat de machine niet volledig buiten werking was gesteld, wat leidde tot een dubbele armbreuk en langdurige arbeidsongeschiktheid.
De verdediging voerde vrijspraak aan en betwistte het causaal verband en het opzet van verdachte. Het hof oordeelde echter dat verdachte willens en wetens een onveilige situatie heeft gecreëerd door te werken met een protocol dat minder streng was dan de veiligheidsvoorschriften van de fabrikant. Het hof bevestigde dat sprake was van medeplegen, gezien de nauwe en bewuste samenwerking binnen de leiding van de rechtspersoon.
De strafoplegging werd door het hof aangepast: de eerder opgelegde onvoorwaardelijke taakstraf en hechtenis werden vervangen door een geheel voorwaardelijke taakstraf van 25 uur met een proeftijd van twee jaar. Het hof benadrukte dat het zwaartepunt van de strafoplegging bij de rechtspersoon ligt, mede gezien de verbeteringen in veiligheid na het ongeval.
Het arrest werd gewezen op 23 november 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarbij het hof tevens constateerde dat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden, maar dit geen gevolgen had voor de strafoplegging.