Uitspraak
(hof: de verdachte)op straat zou liggen op de [locatie] in Grave. Ter plaatse hebben ze de verdachte op de brancard gelegd en in de ambulance geschoven. [benadeelde partij] stapte daarbij met de brancard in het behandelgedeelte van de ambulance en sloot de deuren achter zich. [getuige] sprak op dat moment nog met de aanwezige verbalisanten. Volgens [benadeelde partij] begon de verdachte op een bepaald moment over littekens te praten die hij allemaal had en die hij ook wilde laten zien. Toen [getuige] aan de chauffeurskant de ambulance instapte en de behandelruimte in liep, deed de verdachte zijn mouwen omhoog en zei dat hij littekens had die hij wilde laten zien. De verdachte zei dat hij ‘hier’ ook littekens had en tikte daarbij op zijn bovenbenen. Vervolgens begon de verdachte zijn broek naar beneden te trekken. Volgens [getuige] schoof de verdachte zijn broek en onderbroek in één beweging naar beneden. [getuige] zei op dat moment dat het genoeg was en samen trokken [getuige] en [benadeelde partij] de broek van verdachte weer omhoog. De broek van verdachte was op dat moment zodanig omlaag getrokken dat [getuige] en [benadeelde partij] het geslachtsdeel van de verdachte konden zien.
Het proces-verbaal informatief gesprek zeden d.d. 7 november 2019 (pagina’s 18 – 20), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(het hof begrijpt: [benadeelde partij] )vertelde dat ze als verpleegkundige werkt op de ambulance vanuit de post Haps.
het hof begrijpt: [getuige]), om 20.45 uur een melding omdat er een persoon op straat zou liggen op de [locatie] in Grave. Ter plaatse hebben ze de man op straat op de brancard gelegd en in de ambulance gereden. [benadeelde partij] stapte met de brancard in het behandelgedeelte van de ambulance en sloot de deuren achter zich. Haar collega [getuige] sprak buiten de ambulance nog even met de aanwezige politie. [benadeelde partij] wilde de bloeddruk opmeten bij de patiënt. [benadeelde partij] deed met twee handen tegelijk de bloeddrukband om de arm van de patiënt. Op dat moment stak de man zijn hand tussen de knieën van [benadeelde partij] en bewoog onmiddellijk zijn hand omhoog tussen haar benen tot deze tegen haar schaambeen aankwam. Ze voelde dat de duim van de man tussen haar dijen tegen haar schaambot aan kwam. Dat duurde een paar tellen. [benadeelde partij] heeft de hand van de man meteen vastgepakt, zijn kant opgeduwd in een gebaar wat uitdrukte dat hij zijn hand bij zich moest houden.
(het hof begrijpt: [verdachte] )[geboortedatum 1]
(het hof begrijpt: [geboortedatum 1] )
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 13 november 2019 (pagina’s 21 – 25), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van aangeefster [benadeelde partij] :
het hof begrijpt: de [verdachte] ). Geboren op [geboortedatum 1] .
(het hof begrijpt: 2019)ongeveer 21.00 uur zal het geweest zijn want we kregen de melding rond 20.45 uur.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 januari 2020 (pagina’s 26 – 29), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige] :
(het hof begrijpt: de verdachte)op straat, politie was ter plaatse en wij reden ook die kant op. Wij hebben hem samen opgetild en de ambulance ingezet. Ik heb de brancard in de ambulance gedaan. (…) Ik sloot de deur achter af en liep naar de zijdeur aan de rechterkant van de ambulance. Toen ik instapte zag ik dat de man mijn richting in keek. Hij was dus inmiddels bij kennis. (…) Ik riep [verbalisant 3] , politieagent, (
het hof begrijpt: [verbalisant 3]) erbij om mee te kijken. Op dat moment ziet de man de agent de ambulance inkomen en reageert meteen geïrriteerd en wil uit de ambulance stappen. (…) Op dat moment hebben de twee agenten de discussie met de man dat hij uit de ambulance moest gaan, hij wilde dit niet. Ik ben met mijn collega uit de ambulance gestapt. Buiten de ambulance hoorde ik dat mijn collega tegen mij zei; "De man heeft met zijn hand over mijn been gewreven en aangeraakt bij mijn kruis". (…)
(het hof begrijpt: [benadeelde partij] ).
,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand;
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis;
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2019 tot aan de dag der voldoening;
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 5 (vijf) dagenkan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;