Uitspraak
5.Het vervolg van de procedure in hoger beroep
- het tussenarrest van 9 augustus 2022;
- de door [appellante] genomen akte na tussenarrest;
- de door Parc Beheer genomen antwoordakte na tussenarrest.
6.De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
- De eiswijzigingen in hoger beroep zijn toelaatbaar, zodat uitgegaan moet worden van de vorderingen van beide partijen zoals deze in hoger beroep zijn komen te luiden (rov. 3.9).
- [appellante] is hoofdelijk verbonden voor de verplichtingen uit de door haar en haar echtgenoot aangegane parklastenovereenkomst (rov. 3.10).
- De grieven I tot en met IV in principaal hoger beroep en de grieven I en II in incidenteel hoger beroep worden verworpen. De kantonrechter heeft in rov. 4.25 van het beroepen vonnis terecht geconcludeerd dat [appellante] ter zake de factuur van 13 december 2017 nog € 331,65 verschuldigd is (rov. 3.12 tot en met 3.21).
- Tegen het oordeel in het beroepen vonnis dat het op de factuur van 17 april 2018 vermelde voorschot elektra en water over 2018 van € 700,-- toewijsbaar is, zijn geen grieven gericht. Die post hoeft verder niet besproken te worden (rov. 3.23).
- Ter zake de op de factuur van 17 april 2018 vermelde posten voor elektraverbruik en Elektra vast recht, die door grief V in principaal hoger beroep en grief III in incidenteel hoger beroep aan de orde worden gesteld, is het onvermijdelijk dat een deskundige de door partijen aangeleverde cijfers en berekeningen beoordeelt (rov. 3.27).
- Ter zake de op de factuur van 17 april 2018 vermelde posten voor waterverbruik en Water vast recht, die door grief VI in principaal hoger beroep en grief IV in incidenteel hoger beroep aan de orde worden gesteld, is het onvermijdelijk dat een deskundige de door partijen aangeleverde cijfers en berekeningen beoordeelt (rov. 3.29).
- De grieven VII en VIII, waarmee [appellante] haar beroep op opschorting en op verrekening aan de orde stelt, moeten worden verworpen (rov. 3.30).
- Het hof houdt elk oordeel aan over de resterende grieven IX en X in principaal hoger beroep, over de resterende grief V in incidenteel hoger beroep en over de overige vorderingen van [appellante] zoals in hoger beroep gewijzigd/vermeerderd (rov. 3.31).
- Partijen krijgen de gelegenheid om zich uit te laten over het door het hof voorgenomen deskundigenonderzoek. [appellante] moet daarbij tevens laten weten of de bungalow inmiddels is verkocht (rov. 3.32).
- de zaak naar de rol verwezen voor een akte aan de zijde van [appellante] met het in rov. 3.32 van het arrest genoemde doel, waarna antwoordakte;
- iedere verdere beslissing aangehouden.
- elektraverbruik en Elektra vast recht;
- waterverbruik en Water vast recht.
- dat het hof eerst moet beslissen welke omstreden kostenposten mee moeten worden genomen in de te maken berekening;
- dat het hof vervolgens de berekening eenvoudig zelf kan uitvoeren zodat een deskundigenbericht niet nodig is.
Investeringen” onderdeel uitmaakt van het door Parc Beheer gehanteerde tarief van € 0,19 inclusief btw. Volgens Parc Beheer heeft zij het daaraan ten grondslag gelegde bedrag van € 19.513,56 exclusief btw (hetgeen gedeeld door het totaal parkverbruik van 325.226 kWh € 0,06 per kWh oplevert) “
geïnvesteerd dan wel gereserveerd voor de vervanging van het leidingwerk”. Uit het vervolg van het gestelde in punt 44 van de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep blijkt dat het geen investeringen maar reserveringen betreft. Volgens Parc Beheer zijn de kosten van de door haar beoogde vervanging van het leidingwerk niet begrepen in de parklasten, aangezien die slechts zien op de kosten van onderhoud. Parc Beheer meent dat zij voor de door haar beoogde vervanging van het leidingwerk een reservering mag maken en die aan de eigenaren van percelen op het recreatiepark mag doorbelasten.
het onderhoud van de infrastructuur, zoals leidingen, kabels en riolering, een en ander ter beoordeling van de beheerder”. Voor het in artikel 1 genoemde Pro takenpakket is [appellante] de in artikel 3 genoemde Pro parklastenvergoeding verschuldigd. Volgens artikel 3 lid 5 zijn Pro in die parklastenvergoeding niet begrepen:
Reservering” maar als “
Investering”, terwijl uit haar eigen stellingen volgt dat van een investering in 2017 geen sprake is geweest. Het hof concludeert dat Parc Beheer onvoldoende heeft onderbouwd dat er een grondslag is om van [appellante] ten aanzien van het jaar 2017 het bedrag van € 0,06 per kWh voor “
Investeringen” te vorderen.
winst & Risico 10%”. Uit hetgeen [appellante] in de toelichting op grief V in principaal hoger beroep heeft gesteld (punten 12, 13 en 14), blijkt dat [appellante] het niet juist acht dat Parc Beheer deze opslag hanteert. Parc Beheer heeft in de toelichting op grief III in incidenteel hoger beroep (punt 116, met verwijzing naar punt 46) gesteld dat het hier gaat om redelijke administratiekosten en kosten ter dekking van algemene kosten zoals het debiteurenrisico, en dat de gekozen benaming “
winst & Risico 10%” mogelijk wat ongelukkig is gekozen. [appellante] heeft vervolgens in haar reactie op grief III in incidenteel hoger beroep (punt 16) gesteld dat alleen de werkelijke kosten mogen worden doorbelast, zonder winst- of risico-opslag, en dat de door Parc Beheer gehanteerde toeslag niets te maken heeft met werkelijke kosten.
- 0,05 exclusief btw per kWh voor inkoop elektra bij Eneco;
- 0,02 (afgerond) exclusief btw per kWh voor energiebelasting;
- 0,02 exclusief btw per kWh voor kosten leidingbeheerder Enexis, welke kosten [appellante] onvoldoende heeft betwist.
- de beslissing is gebaseerd op de argumenten die partijen al in hun memoriewisseling vóór het tussenarrest naar voren hebben gebracht;
- [appellante] in akte na tussenarrest gemotiveerd heeft gesteld dat hof deze kwestie zonder benoeming van een deskundige kan afdoen;
- Parc Beheer daar in haar antwoordakte op heeft kunnen reageren, en niet gemotiveerd heeft betwist dat deze kwestie zonder benoeming van een deskundige kan worden beslist.
winst en Risico 10%”. Dat bezwaar is gegrond. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor in rov. 6.9.5 en 6.9.7 is overwogen.
winst en Risico 10%” bedraagt volgens het overzicht € 0,32 per m3. Ook dat bedrag kan Parc Beheer niet van [appellante] vorderen.
- € 0,02 (afgerond) ter zake de kosten van de brandleidingen;
- € 0,32 ter zake de opslag winst en risico.
- a. € 722,72 ter zake elektra c.a. 2017;
- b. € 57,05 ter zake water c.a. 2017;
- c. € 700,-- als voorschot voor 2018;
- d. € 331,65 ter zake de factuur van 13 december 2017.
7.De uitspraak
- de veroordeling van [appellante] in conventie om aan Parc Beheer € 1.811,42 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 november 2018;
- de veroordeling van Parc Beheer in reconventie om aan [appellante] de in het vonnis bedoelde specificaties van de werkelijke kosten betreffende de levering van elektra en water aan [appellante] over de periode 2009 tot en met 2018 te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- veroordeelt [appellante] in conventie om aan Parc € 1.940,32 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 november 2018;
- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst de vordering van [appellante] in reconventie ter zake het verstrekken van specificaties over de periode van 2009 tot en met 2018 af;