ECLI:NL:GHSHE:2022:420

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 januari 2022
Publicatiedatum
14 februari 2022
Zaaknummer
20-001714-20
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 SvArt. 9.2.2.1 Wet milieubeheerArt. 6 Asbestverwijderingsbesluit 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overschrijding termijn in milieustrafzaak

De verdachte werd door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk in de lucht brengen van een gevaarlijke stof en overtreding van milieuregels, met een geldboete en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in, maar dit gebeurde buiten de wettelijk gestelde termijn van veertien dagen.

Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het hoger beroep en concludeerde dat het beroep te laat was ingediend. De verdachte voerde aan dat hij een verzoek tot aanhouding van de behandeling had gedaan wegens verhindering, maar dit verzoek was niet correct ingediend vanwege een onvolledig e-mailadres en er was geen reactie ontvangen. Bovendien had de verdachte nagelaten om zelf navraag te doen over de status van zijn verzoek.

Het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar was, omdat de verdachte geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die de overschrijding konden rechtvaardigen. Jurisprudentie bevestigt dat een verdachte niet zonder meer mag vertrouwen op het uitstel van een zitting zonder zelf navraag te doen. Daarom werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder geldige reden.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001714-20
Uitspraak : 21 januari 2022
TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 25 november 2019 in de strafzaak met parketnummer 82-087782-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1929,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is’ (
feit 1 primair) en ‘medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan (artikel 6 van Pro het Asbestverwijderingsbesluit 2005)’ (
feit 2 primair) veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 12.000,00 subsidiair 95 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Door de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, nu het hoger beroep door de verdachte tardief is ingesteld.
De verdachte heeft het hof verzocht hem ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het beroepen vonnis is op 25 november 2019 bij verstek gewezen, nadat de dagvaarding van de verdachte om ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen blijkens de daaraan gehechte akte van uitreiking aan hem in persoon was betekend op 15 oktober 2019.
Ingevolge het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering had de verdachte binnen veertien dagen na het op de hiervoor genoemde datum gewezen vonnis hoger beroep moeten instellen. Het hoger beroep is echter eerst op 10 augustus 2020 – en derhalve buiten de daarvoor geldende termijn – ingesteld.
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn (vgl. HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:38).
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte gesteld dat hij voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 11 november 2019 een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak had gedaan, omdat hij verhinderd was voornoemde terechtzitting bij te wonen. Daarbij heeft de verdachte ter onderbouwing onder meer gewezen op een door hem aan de rechtbank Oost-Brabant verstuurd e-mailbericht d.d. 8 november 2019. In dat verband heeft hij opgemerkt dat hij nimmer een reactie op zijn hiervoor bedoelde aanhoudingsverzoek heeft ontvangen.
Ter terechtzitting heeft het hof geconstateerd dat het e-mailadres van de rechtbank, waaraan de verdachte zijn aanhoudingsverzoek heeft gericht, onvolledig is (de uitgang ‘.nl’ ontbreekt). Wat daar ook van zij, uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een verdachte die een verzoek tot uitstel van de behandeling van zijn zaak doet (of laat doen) er in beginsel niet van mag uitgaan dat dat verzoek zonder meer zal worden ingewilligd. In de regel mag daarom van de verdachte worden gevergd dat hij zich op de hoogte stelt van het al dan niet doorgaan van de behandeling van zijn zaak (vgl. HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3406).
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en het procesdossier is het hof gebleken dat de verdachte op geen enkele wijze bij de strafgriffie van de rechtbank Oost-Brabant heeft geïnformeerd of zijn verzoek goed was ontvangen en/of naar de beslissing op zijn verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. Nu de verdachte dit heeft nagelaten, hem dit nalaten kan worden toegerekend en er zich naar het oordeel van het hof ook overigens geen omstandigheid voordoet die voornoemde termijnoverschrijding verschoonbaar maakt, is de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Verhoeven, griffier,
en op 21 januari 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.