Partijen zijn gehuwd geweest en hebben twee minderjarige kinderen, gezamenlijk onder ouderlijk gezag. De kinderen staan sinds januari 2021 onder toezicht van een gecertificeerde instelling. De rechtbank heeft bij beschikking van juni 2022 bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder is, met een zorgregeling waarbij de vader de kinderen in het weekend en tijdens vakanties ontvangt.
De vader is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan en betwist dat de moeder de juiste zorg kan bieden, wijst op zorgen over de lichamelijke verzorging en financiële beperkingen van de moeder, en maakt bezwaar tegen het inschrijven van de kinderen op een buitenschoolse opvang zonder zijn toestemming. De moeder betwist deze zorgen, benadrukt haar openheid voor hulpverlening en stelt dat zij beter handelt in het belang van de kinderen. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming ondersteunen het standpunt dat het goed gaat met de kinderen bij de moeder.
Het hof overweegt dat het geschil over de hoofdverblijfplaats van de kinderen aan de rechter kan worden voorgelegd en dat de beslissing moet worden genomen in het belang van de kinderen. Na eigen onderzoek en afweging sluit het hof zich aan bij de rechtbank en bekrachtigt het de beschikking dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft. Het verzoek van de vader tot schorsing van de beschikking wordt niet-ontvankelijk verklaard.
De beslissing is genomen met het oog op de structuur en stabiliteit die de moeder biedt, ondanks de beperkte financiële middelen en het inschrijven op de buitenschoolse opvang op advies van de gecertificeerde instelling. Het hof wijst het beroep van de vader af en bevestigt de zorgregeling zoals vastgesteld door de rechtbank.