In deze zaak staat het gezamenlijk gezag en de zorgregeling over een minderjarige centraal. De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep om het gezamenlijk gezag te beëindigen en de zorgregeling aan te passen, terwijl de vader het gezamenlijk gezag wil behouden en een zorgregeling wenst. Het hof heeft een uitgebreid onderzoek laten uitvoeren door de Raad voor de Kinderbescherming, die adviseerde het gezamenlijk gezag in stand te laten vanwege de bestaande band tussen vader en kind, maar geen zorgregeling vast te stellen omdat die op dit moment niet uitvoerbaar is.
De ouders zijn sinds 2016 in conflict en het kind heeft sinds september 2020 contact met de vader geweigerd. Pogingen tot hulpverlening, waaronder een BOR3-traject en het Nieuw Ouderschapstraject, hebben niet geleid tot verbetering. Beide ouders tonen onvoldoende motivatie om een nieuw hulpverleningstraject te starten. De vader wenst wel contact, maar acht vrijwillige hulpverlening onvoldoende en pleit voor een beschermingsonderzoek, terwijl de moeder het gezamenlijk gezag wil behouden maar geen zorgregeling.
Het hof oordeelt dat het gezamenlijk gezag in het belang van het kind is, omdat anders het risico bestaat dat de vader volledig uit het leven van het kind verdwijnt. De zorgregeling wordt afgewezen omdat deze momenteel niet haalbaar is en het verzoek tot ontzegging van omgang wordt eveneens afgewezen wegens gebrek aan voldoende gronden. Het hof bekrachtigt daarom het gezamenlijk gezag en wijst de verzoeken tot wijziging van de zorgregeling af.