De zaak betreft het hoger beroep van de rechthebbende tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die het verzoek tot opheffing van het bewind over zijn goederen heeft afgewezen. Het bewind was in 2015 ingesteld vanwege zijn geestelijke toestand die hem belemmerde zijn vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen.
De rechthebbende stelde dat zijn situatie sinds de instelling van het bewind wezenlijk was veranderd, onder meer door het hebben van een vaste woonplaats, een relatie, het volgen van een opleiding en een verantwoordelijke houding ten aanzien van zijn financiën. Hij betoogde dat het bewind daarom niet langer noodzakelijk was en dat hij in staat zou moeten zijn zijn financiële belangen zelf te beheren.
De bewindvoerder weersprak deze stellingen en wees op de verbroken relatie met de ex-partner, lopende procedures over de kinderen, het ontbreken van een eigen bankrekening en het ontbreken van zicht op de huidige persoonlijke en geestelijke situatie van de rechthebbende. De rechthebbende was wegens ziekte niet verschenen bij de mondelinge behandeling en maakte geen gebruik van de schriftelijke reactieronde.
Het hof oordeelde dat de grondslag voor het bewind niet is komen te vervallen en dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de rechthebbende zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig kan behartigen. Het verzoek tot opheffing van het bewind werd daarom bekrachtigd afgewezen.