In deze strafzaak stond de ontnemingsvordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht centraal, waarbij betrokkene werd veroordeeld voor het telen van 117 hennepplanten in de periode van februari tot augustus 2018. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €24.757,66 en een betalingsverplichting opgelegd.
Betrokkene stelde in hoger beroep dat hij niet had geoogst omdat de eerste oogst was mislukt en de tweede inbeslaggenomen, en betwistte de hoogte en toerekening van het voordeel. Het hof verwierp het standpunt over mislukte oogst wegens gebrek aan onderbouwing en concludeerde op basis van diverse aanwijzingen zoals vervuilde koolstoffilters, hennepresten en waterverbruik dat er meerdere oogsten hebben plaatsgevonden.
De berekening van het voordeel is gebaseerd op het rapport Afpakken, met een opbrengst van €13.428,56 per oogst minus kosten, resulterend in een totaal van circa €24.757 voor twee oogsten. Het hof wees het verzoek af om een deel van het voordeel aan betrokkene’s vader toe te rekenen wegens gebrek aan bewijs. De betalingsverplichting werd gematigd met 5% vanwege overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Tevens bepaalde het hof de maximale duur van gijzeling op 395 dagen bij niet-betaling.