In deze zaak stond de ondertoezichtstelling van een minderjarige centraal, die door de rechtbank was bevolen vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling. De moeder was tegen deze maatregel in hoger beroep gegaan, stellende dat de bedreiging inmiddels was verdwenen en dat de hulpverlening binnen het vrijwillig kader voldoende was.
Het hof heeft de feiten en rapportages beoordeeld en vastgesteld dat de situatie van de moeder en de minderjarige zich aanzienlijk heeft gestabiliseerd. De woonsituatie is verbeterd, de moeder accepteert hulpverlening en de school signaleert geen zorgen meer over de ontwikkeling van het kind. De eerdere ernstige bedreiging is niet langer aanwezig.
Hoewel de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling nog zorgen hadden over het ontbreken van contact tussen de vader en de minderjarige en mogelijke toekomstige hulpbehoeften, oordeelde het hof dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om de ondertoezichtstelling voort te zetten.
Het hof vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank voor het vervolg na 17 februari 2022 en wees het verzoek tot voortzetting van de ondertoezichtstelling af. De beschikking blijft echter geldig voor de periode van 15 juli 2021 tot 17 februari 2022.