ECLI:NL:GHSHE:2022:521

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 februari 2022
Publicatiedatum
21 februari 2022
Zaaknummer
20.000019.21
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 279 SvArt. 359 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bedreiging psychiater tijdens therapiesessie wegens onvoldoende bewijs redelijke vrees

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht jegens zijn psychiater, waarbij hij de woorden 'je gaat eraan' meermaals zou hebben geuit tijdens een therapiesessie. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.

Tijdens het hoger beroep hoorde het hof verklaringen van de psychiater en een aanwezige agogisch medewerker, die beiden bevestigden dat de verdachte de bedreigende woorden had geuit. Het hof stelde vast dat de bedreiging concreet was geformuleerd en gericht op de psychiater.

Echter, het hof oordeelde dat de context van de uitlating – een therapiesessie waarbij de verdachte psychotische en manische klachten had – en het ontbreken van bewijs over de precieze omstandigheden, maakten dat niet kon worden vastgesteld dat bij de psychiater redelijke vrees voor uitvoering van de bedreiging kon ontstaan.

Daarom sprak het hof de verdachte vrij van de tenlastegelegde bedreiging. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht door vrijspraak uit te spreken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van bedreiging wegens onvoldoende bewijs van redelijke vrees.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000019-21
Uitspraak : 18 februari 2022
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zitting houdende te Maastricht, van 5 januari 2021, in de strafzaak met parketnummer 03-250196-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 500,00 voorwaardelijk.
Namens verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen. Bovendien heeft de politierechter volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, terwijl het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 oktober 2020 in de [gemeente] [aangeefster] (psychiater) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door [aangeefster] (meermaals) dreigend de woorden toe te voegen "je gaat eraan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Vrijspraak
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde bedreiging. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – (primair) aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte de woorden “je gaat eraan” heeft geuit. Subsidiair is aangevoerd dat de uitlating van de verdachte, gelet op de psychische problematiek van de verdachte en de context waarin deze is gedaan, moet worden beschouwd als een uiting van woede, onmacht en frustratie die bij aangeefster niet de redelijke vrees heeft kunnen doen ontstaan dat zij door toedoen van de verdachte het leven zou verliezen, dan wel dat zij het slachtoffer zou worden van zware mishandeling.
Uit de stukken in het dossier, zoals die ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen, alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, blijkt het navolgende.
[aangeefster] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat zij werkzaam is als psychiater bij [instantie] te [plaats] en de verdachte bij haar in behandeling was.
[aangeefster] heeft over het tenlastegelegde incident, dat plaatsvond op 6 oktober 2020, verklaard dat de verdachte vervelend was bij de therapie en dat zij hem aangesproken heeft op zijn gedrag. De verdachte werd boos, stond op uit zijn stoel en kwam in haar richting gelopen. Vervolgens hoorde zij de verdachte zeggen: “je gaat eraan”. De verdachte herhaalde dit meermaals.
[getuige] is op 6 oktober 2020 als getuige gehoord door de politie. Zij heeft verklaard dat ze op 6 oktober 2020 als agogisch medewerker aanwezig was bij het gesprek tussen de verdachte en zijn psychiater, [aangeefster] Tijdens het gesprek hoorde [getuige] dat de verdachte [aangeefster] bedreigde met de woorden: “je gaat eraan!” en dat hij, terwijl hij de bedreiging uitte, richting [aangeefster] wilde lopen. [getuige] is vervolgens tussen de verdachte en [aangeefster] in gaan staan.
Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat op grond van de verklaringen van [aangeefster] en [getuige] genoegzaam is komen vast te staan dat de verdachte de woorden “je gaat eraan” heeft geuit tegen [aangeefster] . Nu deze woorden zowel door aangeefster als de getuige zijn gehoord en de woorden ook meermaals zijn gezegd twijfelt het hof niet aan de inhoud van de bewoordingen.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze uitlating van de verdachte aangemerkt kan worden als een bedreiging in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. De beoordeling of sprake is van redelijke vrees is geobjectiveerd en wordt dus niet enkel bepaald door bij het slachtoffer veroorzaakte angstgevoelens.
Een uitlating zal doorgaans niet bedreigend zijn, als deze zodanig algemeen is geformuleerd of te weinig concreet is gericht op de bedreigde om als bedreiging serieus te kunnen worden genomen. Anderzijds kan de context ook een uitlating, waarvan de bewoordingen op zichzelf naar hun aard geschikt zijn om bedreiging op te leveren, als bedreiging ongeloofwaardig maken. Bijvoorbeeld als de uitlating in de context bezien, moet worden opgevat als een onbeheerste uiting van woede of frustratie.
Het hof is van oordeel dat de woorden “je gaat eraan” op zichzelf genomen voldoende concreet zijn geformuleerd en gericht waren op aangeefster en dat deze bedreiging serieus moet worden genomen.
Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat de uitlating van de verdachte is gedaan tijdens een behandelsessie met zijn behandelend psychiater. Verdachte zou tijdens deze sessie zijn aangesproken op zijn gedrag, als gevolg waarvan de verdachte de ten laste gelegde uitlating heeft gedaan. Niet duidelijk is op welk gedrag de verdachte tijdens deze sessie werd aangesproken. Zowel de psychiater als de agogisch medewerker hebben daarover niet verklaard. Nu de verdachte in therapie was in verband met psychotische en manische klachten en de uitlatingen zijn gedaan tijdens een therapiesessie, acht het hof – bij gebrek aan wetenschap over de overige context waarbinnen de uitlating is gedaan – niet bewezen dat in de gegeven omstandigheden de bedreiging van dien aard was dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Immers, volgens aangeefster gaf zij de verdachte niet zijn zin terwijl de verdachte vond dat zij daartoe wel verplicht was. De gedane bewoordingen kunnen derhalve evengoed worden gezien als een uiting van onmacht en frustratie daarover.
Het vorengaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte vrij zal spreken van het tenlastegelegde.
Gelet op het feit dat het hof de verdachte van het tenlastegelegde zal vrijspreken komt het hof niet meer toe aan de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek van de raadsman tot het horen van [aangeefster] en [getuige] en het voorwaardelijke verzoek tot het doen laten uitvoeren van een onderzoek naar de verstoring van de geestesvermogens van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. S. Taalman en mr. drs. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. van Kaathoven, griffier,
en op 18 februari 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. drs. M.C.C. van de Schepop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.