In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin een betalingsverplichting werd opgelegd voor een geschat wederrechtelijk verkregen voordeel van €57.425,48. Het hof heeft het voordeel opnieuw geschat en vastgesteld op €24.712,00, waarbij het voordeel pondspondsgewijs werd toegerekend aan betrokkene vanwege de betrokkenheid bij meerdere diefstallen in een mobiel banditisme-netwerk.
De verdediging voerde aan dat betrokkene slechts een beperkt aandeel had in de opbrengst, maar het hof verwierp dit op basis van het strafarrest waarin betrokkene als medepleger werd aangemerkt met een onmisbare rol. De rechtbank had ten onrechte de waarde van verbeurdverklaarde voorwerpen en vorderingen van benadeelden in mindering gebracht, terwijl het hof dit niet volgde omdat er geen verbeurdverklaring was en geen bewijs van voldoening van die vorderingen.
Het hof legde een betalingsverplichting op aan betrokkene en bepaalde de maximale duur van de gijzeling op 166 dagen, rekening houdend met de waarde van de in beslag genomen voorwerpen waarvan betrokkene afstand heeft gedaan. Het hof oordeelde dat er geen draagkrachtverweer was dat tot matiging van de betalingsverplichting zou leiden.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, en het arrest is uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 24 februari 2022.