Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,2. [geïntimeerde 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7475618 / CV EXPL 19-271)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de door [appellant] genomen memorie van grieven met zeven producties;
- de memorie van antwoord met een productie;
- de door [appellant] genomen akte met een productie;
- de door [geïntimeerden] genomen antwoordakte.
3.De beoordeling
- [geïntimeerden] hebben de woning aan de [adres] te [plaats] medio 2017 verhuurd aan [appellant] voor een huurprijs van € 900,-- per maand. Er is een schriftelijke huurovereenkomst opgemaakt maar partijen hebben die overeenkomst niet ondertekend.
- Partijen zijn kort na het mondeling sluiten van de huurovereenkomst in discussie geraakt over de onderhoudstoestand van de woning.
- [appellant] heeft de medio 2017 overeengekomen huurprijs van € 900,-- per maand betaald over de maanden juni tot en met oktober 2017.
- Met ingang van de maand november 2017 is [appellant] € 700,-- per maand gaan betalen. [appellant] heeft dat gedaan tot en met januari 2019, waarbij tussen partijen in geschil is of de betaling van € 700,-- per maand ook gedaan is voor de maanden januari 2018 en juni 2018.
- [appellant] heeft in oktober 2018 een bouwkundig onderzoek naar de staat van de woning laten in stellen door de heer [persoon A] van [Bouwkundig bureau] te [vestigingsplaats] . Dit bureau heeft omtrent de bevindingen een rapport van 17 oktober 2018 uitgebracht. Volgens het gestelde op blz. 2 van het rapport heeft [persoon A] de woning op 15 mei 2018 geïnspecteerd.
- Over de periode ingaande 1 februari 2019 heeft [appellant] geen huur meer betaald.
- Bij e-mail van 1 april 2019 heeft [appellant] aan [geïntimeerden] onder meer het volgende meegedeeld:
- ontbinding van de huurovereenkomst met veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde;
- veroordeling van [appellant] tot betaling van € 10.300,-- ter zake huurachterstand;
- veroordeling van [appellant] tot betaling van € 727,05 ter zake herstelkosten;
- A. € 11.480,-- wegens huurprijsvermindering vanaf de aanvang van de huurovereenkomst wegens gebreken aan het gehuurde;
- B. € 1.000,-- ter zake over de maanden juni tot en met oktober 2017 teveel betaalde huur;
- C. € 1.900,-- wegens de door [appellant] in het gehuurde geplaatste keuken;
- D. € 14.711,92 wegens door [appellant] geleden schade door vochtoverlast;
- E. € 350,-- wegens door [appellant] gemaakte deskundigenkosten;
- F. € 1.000,-- wegens de door [geïntimeerden] aan [appellant] terug te betalen waarborgsom.
- De tussen partijen gesloten huurovereenkomst is ingegaan op 1 juni 2017 (rov. 4.1).
- De huurovereenkomst is geëindigd per 1 mei 2019 (rov. 4.2).
- Partijen zijn bij aanvang van de huurovereenkomst een huurprijs overeengekomen van € 900,-- per maand. De stelling van [appellant] dat de huurprijs op enig moment met terugwerkende kracht is verminderd tot € 700,-- per maand moet worden verworpen (rov. 4.3, eerste deel).
- De stelling van [geïntimeerden] dat de huurprijs per 1 april 2018 is verhoogd tot € 1.000,-- per maand, moet worden verworpen (rov. 4.3, tweede deel).
- [appellant] heeft de huur over de maanden juni en december 2018 niet betaald. De huurachterstand per de einddatum van de huurovereenkomst bedraagt € 7.100,-- (rov. 4.3, derde deel).
- De vordering van [geïntimeerden] van € 727,05 ter zake herstelkosten is niet toewijsbaar (rov. 4.4).
- Omdat [appellant] de woning al heeft verlaten en de huurovereenkomst al geëindigd is, zijn de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde niet toewijsbaar (rov. 4.5).
- Vordering A ter zake huurprijsvermindering wegens gebreken moet worden afgewezen omdat [appellant] [geïntimeerden] niet in gebreke heeft gesteld en geen termijn heeft gegund om de gestelde gebreken op te lossen (rov. 4.8).
- Omdat de huurprijs niet is verlaagd van € 900,-- naar € 700,--, moet vordering B ter zake teveel betaalde huur worden afgewezen (rov. 4.7).
- Vordering C ter zake de door [appellant] geplaatste keuken moet worden afgewezen (rov. 4.11).
- Vordering D ter zake door vochtoverlast veroorzaakte schade moet worden afgewezen (rov. 4.9).
- Vordering E ter zake deskundigenkosten moet worden afgewezen (rov. 4.10).
- Vordering F tot terugbetaling van de door [appellant] betaalde borgsom van € 1.000, is toewijsbaar (rov. 4.12).
- [appellant] in conventie veroordeeld om aan [geïntimeerden] € 7.100,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 11 januari 2019;
- [geïntimeerden] in reconventie veroordeeld om aan [appellant] € 1.000,-- te betalen.
- het alsnog geheel afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerden] in conventie;
- het alsnog toewijzen van de hiervoor in rov. 3.2.3 onder A tot en met E weergegeven geldvorderingen van [appellant] in reconventie;
- Over de maanden juni tot en met oktober 2017 is de overeengekomen huurprijs van € 900,-- per maand voldaan, zodat over deze periode geen huurachterstand ontstaan.
- De maanden januari 2018 en juni 2018 zijn niet betaald, zodat over deze maanden een huurachterstand is ontstaan van (2 x € 900,-- =) € 1.800,--.
- Over de maanden november 2017 en december 2017, februari 2018 tot en met mei 2018 en juli 2018 tot en met januari 2019 is € 200,-- per maand te weinig betaald, zodat over deze maanden een huurachterstand is ontstaan van (13 x € 200,-- =) € 2.600,--.
- De maanden februari 2019 tot en met april 2019 zijn niet betaald, zodat over deze maanden een huurachterstand is ontstaan van (3 x € 900,-- =) € 2.700,--.
- een kopie van een bankafschrift van zijn bankrekening van 29 december 2017, waarop een betaling aan [geïntimeerden] van € 700,-- is vermeld met als omschrijving “Huur januari 2018;
- een kopie van een bankafschrift van zijn bankrekening van 2 juli 2018, waarop een betaling aan [geïntimeerden] van € 700,-- is vermeld met als omschrijving “Huur juni 2018;
- een kopie van een bankafschrift van zijn bankrekening van 2 juli 2018, waarop een betaling aan [geïntimeerden] van € 700,-- is vermeld met als omschrijving “Huur juli 2018.
- dat de door hem gestelde betaling van 29 december 2017 daadwerkelijk naar de bankrekening van [geïntimeerden] is overgemaakt en niet is gestorneerd;
- dat de in productie 3 bij de conclusie van antwoord genoemde twee betalingen van 2 juli 2018 ad elk € 700,-- allebei daadwerkelijk naar de bankrekening van [geïntimeerden] zijn overgemaakt en niet zijn gestorneerd.
- a. de in slechte staat zijnde kozijnen;
- b. de slechte beglazing;
- c. geen tot slechte isolatie;
- d. slecht voegwerk;
- e. ernstig vochtgebrek inclusief ernstige schimmelvorming op de muren;
- f. lekkageplekken;
- g. zetscheuren;
- h. losliggende vensterbanken;
- i. slechte ventilatie;
- j. de rioleringsput lekt.
- Dat in de relevante periode sprake zou zijn van de onder c. genoemde slechte isolatie blijkt niet uit het rapport. Mogelijk was daarvan wel sprake in 2017, maar [geïntimeerden] hebben gesteld dat zij in maart 2018 isolatiewerkzaamheden hebben laten uitvoeren en [appellant] heeft dat niet betwist. Ook uit blz. 6 onderaan, blz. 7 onderaan en blz. 19 van het rapport blijkt dat na-geïsoleerd is met isolatiekorrels. Dat vóór de uitvoering van de na-isolatiewerkzaamheden mogelijk wel sprake is geweest van een gebrekkige isolatie, is niet relevant. Over de periode vóór 3 oktober 2018 kan immers geen huurprijsvermindering meer worden gevorderd.
- Het onder d. genoemde slechte voegwerk is beschreven op blz. 20 van het rapport. Er is niet gesteld of gebleken dat dit slechte voegwerk een noemenswaardige vermindering van het huurgenot oplevert, laat staan een zodanige vermindering van het huurgenot dat dit een vermindering van de huurprijs rechtvaardigt.
- De onder f. genoemde lekkageplekken zijn beschreven op blz. 11 onderaan van het rapport. Het betreft lekkageplekken op de plafondschrootjes op de begane grond en lekkageplekken bij de meterkast. Op beide locaties zijn de plekken volgens het rapport veroorzaakt door oude lekkages, die ten tijde van de opname door de rapporteur niet meer aanwezig waren. Er is niet gesteld of gebleken dat deze oude lekkagesporen een noemenswaardige vermindering van het huurgenot opleveren, laat staan een zodanige vermindering van het huurgenot dat dit een vermindering van de huurprijs rechtvaardigt.
- De onder g. genoemde zetscheuren worden beschreven op blz. 5 bovenaan en blz. 20 van het rapport. Er is niet gesteld of gebleken dat deze zetscheuren een noemenswaardige vermindering van het huurgenot opleveren, laat staan een zodanige vermindering van het huurgenot dat dit een vermindering van de huurprijs rechtvaardigt.
“behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder”en dat niet gesteld of gebleken is dat
“het gebrek(bij [geïntimeerden] )
reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan”in de zin van artikel 7:207 lid 1 BW Pro. Om die reden kan ten aanzien van die gebreken geen huurprijsvermindering worden gevorderd. Dit geldt voor de volgende gestelde gebreken.
- De onder h. genoemde losliggende vensterbanken zijn beschreven bovenaan blz. 6 van het rapport. Het betreft alleen de vensterbanken bij het hoekraam aan de voorzijde die los en ongelijk liggen.
- De onder j. genoemde lekkage bij de rioleringsput is beschreven op blz. 21 bovenaan van het rapport.
- De onder a. genoemde in slechte staat verkerende kozijnen zijn beschreven op blz. 5 onderaan en blz. 6 midden van het rapport van [Bouwkundig bureau] . Het betreft twee kozijnen. Volgens het rapport staat het raamkozijn van de slaapkamer aan de achterzijde geheel los en is het kozijn van het hoekraam aan de voorzijde beschadigd.
- De onder b. genoemde slechte beglazing vormt geen afzonderlijke categorie naast de onder a genoemde in slechte staat verkerende kozijnen, en hoeft dus niet afzonderlijk besproken te worden.
- Ten aanzien van het onder e. genoemde “vochtgebrek” (het hof zal dit lezen als vochtprobleem) en de genoemde schimmelvorming geldt het volgende. De schimmel waarvan volgens blz. 10 van het rapport sprake is in de slaapkamer, is niet recent. Ter plaatse is weinig vocht gemeten. Onderaan blz. 8 van het rapport is schimmel beschreven op een locatie aan de onderzijde van de wand in de woonkamer. Op blz. 11 is schimmelvorming beschreven op de voegen en boven de wandtegels in de badkamer. Volgens het rapport gaat het niet om leefvocht maar wordt het probleem veroorzaakt door vervuiling in de spouw of doordat er geen open stootvoegen in de buitengevel boven de fundering zitten voor afvoer van water in de spouw.
- De onder i. genoemde slechte ventilatie is alleen aan de orde in de badkamer (blz. 12 van het rapport van [Bouwkundig bureau] ) en wordt hoofdzakelijk veroorzaakt doordat de badkamerdeur aan de onderzijde geen spleet openlaat voor de aanvoer van verse lucht ten behoeve van de ventilatie. Ten aanzien van andere ruimtes in de woning blijkt niet van ontoereikende ventilatie. Het hof verwijst naar blz. 8 bovenaan en blz. 8 onderaan van het rapport, waaruit juist blijkt van toereikende ventilatie door ventilatieroosters.
“behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder”dan wel of
“het gebrek(bij [geïntimeerden] )
reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan”in de zin van artikel 7:207 lid 1 BW Pro.
De kantonrechter acht deze vordering onvoldoende onderbouwd zodat afwijzing zal volgen.” Op grond van deze overweging heeft de kantonrechter de vordering afgewezen.
- Uit het rapport van [Bouwkundig bureau] van 17 oktober 2018 blijkt dat sprake is van vochtproblemen in de woning.
- [geïntimeerden] hebben de aan het vochtprobleem ten grondslag liggende gebreken niet hersteld, en zijn dus tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.
- De tekortkoming is aan [geïntimeerden] toe te rekenen, omdat [appellant] hen op het vochtprobleem had gewezen.
- Door de schimmelvorming heeft [appellant] schade geleden, die door [geïntimeerden] vergoed moet worden.
- i. een handgeschreven ongedateerde bestelbon van DM Living waarop diverse meubels zijn vermeld tot een totaalbedrag van € 5.950,--;
- ii. diverse facturen van ASCI Technologies uit oktober en november 2018 voor diverse computer-gerelateerde producten, ten bedrage van in totaal € 342,50 (€ 300,-- + € 30,-- + € 12,50);
- iii. een factuur van MyCom van 6 november 2018 ten bedrage van € 129,-- voor een “ASUS RX56G 04G”;
- iv. een Excelbestand met aantal kledingstukken, een tas en beddengoed voor in totaal € 3.291,42;
- v. een factuur van [expertcentrum] te [vestigingsplaats] van 29 mei 2017 ter zake, kort gezegd, een showroommodel keuken ten bedrage van € 4.999,--.
- vi. een factuur van € 350,-- voor de bouwkundige keuring door [Bouwkundig bureau] .
4.De uitspraak
- I. dat hij in oktober 2017 met [geïntimeerden] is overeengekomen dat de huurprijs, vanwege in het gehuurde aanwezige gebreken, met terugwerkende kracht tot de aanvang van de huurovereenkomst zou worden verlaagd tot € 700,-- per maand;
- II-A. dat de door hem gestelde huurbetaling van € 700,-- van 29 december 2017 daadwerkelijk naar de bankrekening van [geïntimeerden] is overgemaakt en niet is gestorneerd;