De zaak betreft een hoger beroep van een huurder van een bedrijfsruimte, een viswinkel/restaurant, die stelde dat de verhuurder de afgesproken verbouwingswerkzaamheden niet op tijd had afgerond, waardoor hij schade leed en recht had op huurprijsvermindering en terugbetaling van de borg.
In eerste aanleg werd geoordeeld dat de huurder onvoldoende bewijs had geleverd voor zijn vorderingen en werd de tegenvordering van de verhuurder deels toegewezen. In hoger beroep heeft het hof overwogen dat het gehuurde bij aanvang niet volledig gebruiksklaar hoefde te zijn en dat de verhuurder zijn verplichtingen is nagekomen. De streefdatum voor oplevering was niet bindend en de huurder kon geen beroep doen op onverschuldigde betaling.
Ook voor de opschorting van huurbetalingen wegens gebreken in de tweede helft van 2016 ontbrak voldoende bewijs. De vordering van de verhuurder tot betaling van achterstallige huur en boetes werd dan ook terecht toegewezen. Het hof verwierp de grieven van de huurder en bekrachtigde het vonnis van 28 mei 2020, waarbij de huurder werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.