ECLI:NL:GHSHE:2022:720

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 februari 2022
Publicatiedatum
8 maart 2022
Zaaknummer
20-000454-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder C OpiumwetArt. 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken grieven tegen vonnis politierechter

In deze zaak heeft de politierechter verdachte veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet, diefstal en beschadiging van goederen, en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand. Tevens werd een schadevergoeding van €21,22 aan de benadeelde partij toegekend, vermeerderd met wettelijke rente.

Verdachte stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat verdachte geen schriftelijke of mondelinge grieven tegen het vonnis heeft ingediend. De advocaat-generaal verzocht daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof oordeelde dat zonder kenbare grieven het hoger beroep niet ontvankelijk is en dat de zaak niet inhoudelijk onderzocht hoeft te worden. Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 7 februari 2022, waarbij de voorzitter en raadsheren het arrest ondertekenden.

Uitkomst: Het hoger beroep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van grieven tegen het vonnis van de politierechter.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000454-21
Uitspraak : 7 februari 2022
VERSTEK (dnip)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 18 februari 2021 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 03-264525-20 en 03-308483-20, alsmede de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde straf onder parketnummer 03-085693-19, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
wonende te [adres verdachte] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het in de zaak met parketnummer 03-264525-20 tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ en het in de gevoegde zaak met parketnummer 03-308483-20 onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘diefstal’ (feit 1) en ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen’ (feit 2) (het hof begrijpt dat bedoeld zal zijn: feit 2 in de zaak met parketnummer 03-264525-20), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem ter zake van alle bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Voorts heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot het bedrag van € 21,22, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Ten behoeve van het slachtoffer is tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Ten slotte heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 03-085693-19 voor de duur van 1 maand.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep omdat door of namens verdachte geen grieven kenbaar zijn gemaakt tegen het vonnis van de rechtbank.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof is van oordeel dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling (of via een gemachtigd advocaat) bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden. Daarom zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Het hof:
verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. B.F.M. Klappe en mr. H.N. Brouwer, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen en mr. M. Peperkamp, griffiers,
en op 7 februari 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Klappe, mr. Van Abeelen en mr. Peperkamp voornoemd zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.