Deze zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van zijn minderjarige zoon, die sinds oktober 2019 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De vader betwistte de noodzaak van verlenging en stelde dat de ontwikkelingsbedreiging onvoldoende was onderbouwd en dat de ouders inmiddels duidelijke afspraken hadden gemaakt.
Het hof overwoog dat de minderjarige opgroeit in twee totaal verschillende leefwerelden van zijn ouders, waarbij het kind klem zit tussen de ouders door hun aanhoudende conflict en verschillen in levensvisie, waaronder religieuze aspecten. Dit veroorzaakt een loyaliteitsconflict en belemmert onbelast contact met beide ouders. Daarnaast zijn er signalen van mogelijke kindeigen problematiek, zoals rigide gedrag en sociaal-emotionele uitdagingen.
Het hof achtte het niet aannemelijk dat de bedreiging binnen een vrijwillig kader kan worden afgewend, gezien de verstoorde communicatie en langdurige juridische strijd tussen de ouders. De GI overweegt intensieve ambulante gezinsbehandeling om de situatie te verbeteren. Het hof concludeerde dat de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de belangen van de minderjarige te beschermen en bekrachtigde de bestreden beschikking.