Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/271299 / HA ZA 19-593)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
3.De beoordeling
II.Ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap
- Zij gaat er van uit dat [appellante] nog steeds de belangen van [persoon A] behartigt.
- Zij verzoekt [persoon A] en [appellante] om de hoogte van het te verevenen pensioen op te vragen bij de pensioenuitvoerders.
[geïntimeerde], voor zover in hoger beroep van belang, na wijziging dan wel vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
rechtbankheeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat [appellante] zich na het overlijden van [persoon A] jegens [geïntimeerde] heeft gedragen alsof zij nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Daarmee volgt [appellante] als (enig) erfgenaam ex art. 4:182 BW Pro [persoon A] van rechtswege op in de voor overgang vatbare rechten en schulden, uit hoofde waarvan [geïntimeerde] [appellante] thans aanspreekt.
- binnen zes weken na betekening van het vonnis de nodige informatie van de pensioenuitvoerder ABP aan (het hof begrijpt:) [geïntimeerde] te verstrekken waaruit blijkt het (bruto) aandeel van [geïntimeerde] in de pensioenaanspraak van [persoon A] over de periode van 8 mei 1968 tot 1 september 1980;
- vanaf de datum van het vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen:
- rechtsverwerking (grieven I en II)
- gerechtvaardigd vertrouwen (grief III)
- billijkheidscorrectie (grief IV)
- pensioen ABP (grief V).
hofoverweegt als volgt.
hofoverweegt als volgt.
[appellante]behoort de vordering tot worden afgewezen omdat de door de rechtbank toegepaste billijkheidscorrectie, namelijk dat het onaanvaardbaar is dat [appellante] de bruto bedragen moet betalen (volstrekt), ontoereikend is.
hofis van oordeel dat de grief niet kan slagen. Gelet op de doelstelling van de WVPS (zie rov. 3.5.3. hiervóór) is [appellante] – als enig erfgenaam van [persoon A] – gehouden de vereveningsaanspraken van [geïntimeerde] aan haar te voldoen. In hoeverre de door de rechtbank toegepaste billijkheidscorrectie in dat licht bezien (volstrekt) ontoereikend is, valt niet in te zien. Grief IV treft daarom geen doel.
hofoverweegt als volgt.
hofgeen aanleiding vast te stellen dat sprake is van nodeloos procederen aan de zijde van [appellante] . In deze zaak bestond geen appelverbod en er is niet gebleken dat sprake was van misbruik van recht door [appellante] . De grief faalt daarom. Het hof zal vanwege de relatie tussen partijen, gelet op het bepaalde in art. 237 Rv Pro in verbinding met art. 353 Rv Pro de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.