Uitspraak
1.De procedure in het kort.
2.Het geding in eerste aanleg
3.Het geding in hoger beroep
4.De beoordeling.
geenomschrijving van de door hen ten huwelijk aangebrachte goederen.
vrouwis (onder meer) gericht tegen de overweging door de rechtbank in de beschikking van 30 januari 2020 dat vaststaat dat
metdaarin een finaal verrekenbeding bij echtscheiding, neemt echter niet weg dat de man met uitsluiting van gemeenschap wilde trouwen en dat de vrouw dit – naar het oordeel van het hof – ook wist, dan wel redelijkerwijze moest begrijpen. Zo stelt de vrouw in het beroepschrift dat zij het “prima” vond om onder huwelijkse voorwaarden te trouwen en dat zij “niet de behoefte” had om in algehele gemeenschap van goederen te trouwen. Het hof leidt hieruit af dat de vrouw, die op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat de man voorafgaand aan de bezoeken aan de notaris(sen) een finaal verrekenbeding wilde (waarover later meer), wist dat de man – die steeds heeft verklaard dat hij duidelijk de intentie had om met uitsluiting van gemeenschap te huwen en dit ook aan de vrouw had gezegd (hetgeen de vrouw onvoldoende heeft weersproken) – huwelijkse - voorwaarden wilde met uitsluiting van (iedere) gemeenschap. Het hof neemt dit dan ook als vaststaand aan.
eerstegesprek dat hij voerde met alléén de vrouw (de man was daarbij niet aanwezig) blijkt het volgende:
tweedegesprek (waarbij de man wel aanwezig was) verklaart de eerste notaris als volgt:
hofis verder met de rechtbank van oordeel dat de vrouw ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over de bedoelingen van partijen en haar eigen intenties, en zij is er aldus niet in geslaagd af te doen aan het oordeel dat (i) op initiatief van de vrouw in de huwelijkse voorwaarden van partijen een finaal verrekenbeding is opgenomen en
toevoeging hof: de eerste notaris), ook heeft aangegeven, als degene met de Belgische nationaliteit en ook wonende in België, niet bekend pleegt te zijn met een dergelijk beding en daarover door de notaris uitleg heeft gekregen. Bij die uitleg bleek uit de reactie van de man, zoals de getuige 1 heeft verklaard, dat hij onaangenaam verrast was over de werking van dit beding bij overlijden van de man. Daaruit kan worden afgeleid dat juist de man niet op de hoogte was van de werking van dit beding. De man heeft ook zelf verklaard dat hij bij de eerste notaris voor het eerste hoorde van de woorden “finaal verrekenbeding”. Gelet op dit alles is het niet aannemelijk dat juist de man bij de vrouw met dit beding op de proppen zou zijn gekomen. Waarom de vrouw, als getuige gehoord, de rechtbank op dit punt iets anders wil doen geloven, heeft zij niet duidelijk gemaakt”