De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen. De kinderen zijn sinds mei 2020 onder toezicht gesteld en sinds september 2021 uit huis geplaatst in een instelling. De moeder betwist de verlenging en vraagt om afwijzing of verkorting van de termijn.
Het hof overweegt dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door de problematiek van de moeder. Er zijn zorgen over haar instabiliteit, onbetrouwbaarheid en het niet nakomen van afspraken. De moeder is niet verschenen bij de mondelinge behandeling en heeft onvoldoende medewerking verleend aan noodzakelijke hulpverlening.
De kinderen ervaren rust en ontwikkeling in de instelling, hoewel er nog gedragsproblemen zoals parentificatie worden gesignaleerd. Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing tot mei 2023, omdat het belang van de kinderen en hun veiligheid voorop staat en de moeder eerst aan haar persoonlijke problematiek moet werken voordat terugplaatsing verantwoord is.