De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens overtreding van een voorschrift krachtens artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, gepleegd door een rechtspersoon, te weten Maatschap [verdachte]. Hij stelde zich in hoger beroep primair vrij, subsidiair ontslag van rechtsvervolging en partieel vrijspraak voor het opzet.
Het hof onderzocht of de Maatschap het tenlastegelegde feit had begaan en concludeerde dat de houtstof die op het perceel werd gestort en ondergewerkt, in combinatie met harde wind, stofoverlast veroorzaakte. De verdachte had als actieve maat feitelijk leiding gegeven aan deze verboden gedragingen en had onvoldoende maatregelen genomen om de overlast te beperken.
Het hof oordeelde dat het opzet van de rechtspersoon bewezen was en dat de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk was wegens feitelijk leidinggeven. Gezien de ernst van het feit en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, werd een taakstraf van 35 uur opgelegd, subsidiair 17 dagen hechtenis.
De verweren van de verdediging werden verworpen en het hof bevestigde het vonnis, met aanpassing van de strafmaat. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren, waarbij één niet kon ondertekenen.