Belanghebbende, eigenaar en gebruiker van een agrarisch object met bedrijfswoning, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde en de opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) voor het jaar 2020. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €426.000 op basis van taxatiewijzers en regionale vergelijkingsobjecten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar met het taxatierapport en de onderliggende methodiek de bewijslast had voldaan dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Belanghebbende betwistte de toegepaste correcties en de verdeling van waarde tussen woondelen en niet-woondelen, maar leverde geen eigen taxatierapport of onderbouwing. Het hof verwierp de bezwaren en bevestigde dat de aanslagen OZB voor eigenaar en gebruiker terecht en naar het juiste tarief waren opgelegd, mede omdat de woondelen minder dan 70% van de totale waarde beslaan.
Verder stelde belanghebbende dat eerdere ambtshalve beschikkingen over andere jaren tot een ander vertrouwen zouden leiden, maar het hof oordeelde dat deze niet relevant zijn voor het onderhavige jaar. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.