ECLI:NL:GHSHE:2023:1108

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 april 2023
Publicatiedatum
5 april 2023
Zaaknummer
21/01224
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening parkeerbelastingen Breda 2019Art. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep gegrond: naheffingsaanslag parkeerbelasting Breda vernietigd wegens ontbreken parkeren

De heffingsambtenaar legde aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting op wegens vermeend parkeren zonder betaling op 1 juni 2019 in Breda. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat er geen sprake was van parkeren, maar van een korte doorsteek om zijn echtgenote op te pikken.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof oordeelt anders. Het hof weegt de verklaringen van belanghebbende, ondersteund door bewijs van het gebruik van een parkeerapp en betaalde parkeertransacties, als geloofwaardiger dan de verklaring van de parkeercontroleur. De controleur maakte slechts één foto waarop de auto deels op een parkeervak stond, maar dit was mogelijk een moment van doorrijden.

Het hof concludeert dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van parkeren zoals bedoeld in de Verordening parkeerbelastingen Breda 2019. Daarom wordt de naheffingsaanslag vernietigd, het hoger beroep gegrond verklaard en de kosten aan de heffingsambtenaar opgelegd.

Uitkomst: Het hof vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting omdat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake was van parkeren.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 21/01224
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 26 augustus 2021, nummer BRE 19/4802 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2023 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [A] (hierna: [A] ) namens belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 64,90 omdat [A] op 1 juni 2019 een auto met kenteken [autokenteken] (hierna: de auto) zou hebben geparkeerd in Breda in een van de parkeervakken aan de Nieuwe Ginnekenstraat zonder daarbij te voldoen aan de verplichting tot het betalen van parkeerbelasting.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
De parkeercontroleur heeft volgens de weergave in het Brondocument: Fiscale naheffing op 1 juni 2019 geconstateerd dat de auto stond geparkeerd op de Nieuwe Ginnekenstraat in Breda zonder een geldige parkeervergunning of zonder de parkeerapparatuur/belparkeren op de juiste wijze in werking te stellen. Tevens heeft zij geen laad- of losactiviteiten waargenomen en heeft zij als gevolg van het wegrijden van de auto slechts één foto gemaakt. Op de foto is te zien dat de auto zich deels bevond op een parkeervlak op de Nieuwe Ginnekenstraat en deels op de openbare weg om - kennelijk - weg te rijden. De parkeervakken bevinden zich in het midden van de straat en aan beide kanten van de parkeervakken is sprake van een rijbaan.
4.2.
Belanghebbende bestrijdt dat sprake is geweest van parkeren. Volgens [A] was slechts sprake van het doorsteken van de parkeervakken om aan de andere kant de rijbaan in tegengestelde richting te vervolgen. Volgens hem heeft hij aldaar zijn echtgenote opgepikt die stond te wachten en is hij direct via de doorsteek doorgereden. [A] heeft dit ter zitting nog nader toegelicht. Voorts heeft hij gesteld - en aan de hand van ter zitting overgelegde stukken aangetoond - dat hij beschikt over een app voor betaald parkeren sinds 2016 en dat hij ook voor korte parkeermomenten gebruik maakt van deze app. Dit is nader onderbouwd aan de hand van maandoverzichten die [A] aan het hof en aan de heffingsambtenaar heeft getoond.
4.3.
Voor de vraag of sprake is geweest van parkeren in de zin van de Verordening parkeerbelastingen Breda 2019 staat de verklaring van de parkeercontroleur tegenover de verklaring van [A] . Het hof acht de verklaringen van [A] , mede gelet op de door hem gepresenteerde gegevens over het gebruik van de parkeerapp en de betaaloverzichten daarvan, geloofwaardig. De parkeercontroleur heeft weliswaar verklaard dat zij heeft gezien dat de auto geparkeerd stond op het moment dat zij en haar collega in de straat arriveerden, maar niet uitgesloten is dat door de afstand sprake is geweest van onvoldoende zicht op de werkelijke situatie. Op het moment dat zij in de buurt van de auto was en een foto heeft gemaakt, was in ieder geval geen sprake meer van parkeren.
Alles afwegende geven de geloofwaardige verklaringen ter zitting van belanghebbende de doorslag.
4.4.
Het hof is daarom van oordeel dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van parkeren als bedoeld in artikel 1 Verordening Pro parkeerbelastingen Breda 2019. De naheffingsaanslag moet worden vernietigd.
Tussenconclusie
4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.6.
De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 345 respectievelijk € 134 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten
4.7.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is
4.8.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op een bedrag aan reiskosten van [A] voor het bijwonen van de zitting bij het hof van € 19,20.
4.9.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • verklaart het bezwaar van belanghebbende gegrond;
  • vernietigt de naheffingsaanslag;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 479 vergoedt;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 19,20.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, raadsheer, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2023 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
De griffier, De raadsheer,
N.A. de Grave T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.