In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd dat de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling weigerde. De appellant had een aanzienlijke schuldenlast, waaronder een grote schuld aan het CJIB vanwege verkeersboetes waarvan niet aannemelijk was dat zij te goeder trouw waren ontstaan. De rechtbank oordeelde ook dat onvoldoende was aangetoond dat de appellant de verplichtingen uit de regeling zou nakomen, mede vanwege een alcoholverslaving die nog niet voldoende onder controle was.
In hoger beroep heeft de appellant aangevoerd dat de verkeersboetes veroorzaakt zijn door haar ex-partner en dat zij gedwongen was de werkbus op haar naam te zetten. Tevens stelde zij dat haar situatie inmiddels stabiel is, de alcoholverslaving onder controle is en dat haar kinderen weer veilig thuis wonen. Het hof constateerde echter dat onvoldoende concrete en schriftelijke bewijsstukken waren overgelegd om deze stellingen te onderbouwen.
Het hof heeft daarom de zaak aangehouden en de appellant in de gelegenheid gesteld om aanvullende schriftelijke bewijsstukken te overleggen over de aard en het tijdstip van de verkeersboetes, het eigendom van de kentekens, het verloop van het begeleid solliciteren-traject en de belastingschuld. Totdat deze informatie is verstrekt, houdt het hof iedere verdere beslissing aan.