ECLI:NL:GHSHE:2023:12

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 januari 2023
Publicatiedatum
5 januari 2023
Zaaknummer
200.290.777_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling zorgregeling en beëindiging gezamenlijk gezag

In deze zaak staat het gezag en de zorgregeling over een minderjarig kind centraal. De vader heeft verzocht om een zorgregeling vast te stellen en nakoming daarvan af te dwingen, terwijl de moeder het gezag uitoefent en de vader zich distantieert van het kind. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming zijn betrokken vanwege een ondertoezichtstelling.

Tijdens de procedure is gebleken dat de vader geen contact onderhoudt met de moeder, het kind of de gecertificeerde instelling, ondanks pogingen daartoe. De vader is niet verschenen bij de mondelinge behandeling en zijn voormalig advocaat heeft zich teruggetrokken. Hierdoor is gezamenlijke gezagsuitoefening niet mogelijk en is er geen sprake van contact tussen vader en kind.

Het hof oordeelt dat wijziging van het gezamenlijk gezag in het belang van het kind noodzakelijk is en wijst het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling af. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en de moeder krijgt het eenoudergezag toegewezen. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de affectieve relatie tussen partijen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader af en kent het gezag toe aan de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 5 januari 2023
Zaaknummer: 200.290.777/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/343213 FA RK 19-647
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in principaal appel,
verweerster in incidenteel appel,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in principaal appel,
verzoeker in incident appel,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: onbekend.
Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
Vanwege de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is in deze zaak betrokken:
Stichting Bureau Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

9.De beschikking van 4 augustus 2022

Bij die beschikking heeft het hof aangegeven alvorens een eindbeslissing te kunnen geven over beide aan het hof voorliggende geschilpunten dat de GI het hof dient te informeren over het verloop en de resultaten van het nog op te starten BOR-traject bij [instantie] en eventueel andere nog in te zetten vormen van hulpverlening. Het hof heeft op grond van het voorgaande iedere verdere beslissing aangehouden.
10. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
10.1.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 december 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. P.J.A. van der Laar;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
10.1.1.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter mondelinge behandeling.
10.2.
het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief van de GI d.d. 26 oktober 2022;
- V2-formulier van de voormalig advocaat van de vader d.d. 29 november 2022.

11.De verdere beoordeling

11.1.
De moeder voert aan dat zij het betreurt dat de vader niet op de mondelinge behandeling is verschenen. Gebleken is dat er geen contact is tussen de vader en de GI. Ook de voormalig advocaat van de vader heeft zich daags voor de zitting onttrokken. Voor de moeder is het niet mogelijk om de vader te bereiken en hij reageert niet op de
e-mailberichten van de moeder, zoals het recente e-mailbericht met het rapport van [minderjarige] en informatie van de GGD. De uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag is dan ook niet mogelijk nu de vader nergens op reageert en er geen contact mogelijk is. De uitvoering van de vastgestelde omgangsregeling komt om voorstaande redenen evenmin van de grond. Er is op dit moment geen contact tussen de vader en [minderjarige] .
11.2.
De GI heeft in de brief van 26 oktober 2022 al gerapporteerd dat de diverse pogingen om met de vader in contact te komen niet zijn geslaagd. De vader heeft laten weten geen vertrouwen te hebben in de GI en stelt zijn eigen voorwaarden. Een schriftelijke aanwijzing heeft niet tot contact met de GI geleid. De GI heeft kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog één keer geprobeerd de vader te bereiken, maar ook dat is niet gelukt. De GI betreurt de afwezigheid van de vader tijdens de mondelinge behandeling en had [minderjarige] een goede omgang met de vader gegund. De GI verwacht ook niet dat de vader alsnog reageert. De ondertoezichtstelling was gericht op een veilige opvoedsituatie voor [minderjarige] en op het opstarten van een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] . Over de opvoedsituatie en de veiligheid bij de moeder thuis heeft de GI geen enkele zorg. Nu er vanwege de opstelling van de vader geen omgang tussen hem en [minderjarige] van de grond kan komen, is er geen rol meer voor de GI, aldus de jeugdzorgwerker.
11.3.
Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 1:251a BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
11.3.1.
Gebleken is dat de vader zich distantieert van [minderjarige] en dat hij afwezig en onbereikbaar is voor de moeder, zodat hij een feitelijke invulling van een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening met moeder en het nemen van beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijk overleg onmogelijk maakt. Omdat het voor een kind en zeker voor een zo jong kind als [minderjarige] nodig is dat beslissingen in het kader van de uitoefening van gezag op een voortvarende en adequate manier kunnen worden genomen en de vader zonneklaar laat blijken daar op geen enkele - verantwoorde - manier aan te willen meewerken, is het hof is van oordeel dat wijziging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking vernietigen, zodat de moeder voortaan weer alleen met het gezag over [minderjarige] is belast.
11.3.2.
Ten aanzien van de omgangsregeling is gebleken dat ondanks de inzet van de GI en de aanmelding van de ouders en [minderjarige] bij de [instantie] tot op heden geen start is gemaakt met de begeleide omgangsregeling. De vader heeft in augustus 2022 de GI laten weten dat zijn vertrouwen in de GI en dus in de op te starten omgangsregeling heel erg is gedaald en dat hij na wilde denken over zijn deelname aan onder meer de begeleide omgang. Sindsdien is er geen contact meer geweest tussen de GI en de vader. Ook is er geen contact meer geweest tussen de vader en [minderjarige] . De vader is evenmin op de mondelinge behandeling verschenen om het een en ander toe te lichten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de vaststelling van een omgangsregeling niet in het belang van [minderjarige] is.
11.3.3.
De vader heeft gelet op het voorgaande geen belang meer bij een toewijzing van zijn verzoek tot nakoming van de omgangsregeling op straffe van een dwangsom.
11.4.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en het verzoek van de vader alsnog afwijzen.
11.5.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep in beide instanties compenseren, nu partijen een affectieve relatie hebben gehad.

8.De beslissing

Het hof:
op het principaal en incidenteel appel:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van
2 februari 2021 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en wijst de verzoeken van de vader af;
compenseert de proceskosten in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. mr. A.M. Bossink, mr. E.P. de Beij, mr. M.J.C. van Leeuwen en is in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.