Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,gewoond hebbende te [woonplaats] ,
[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
8.Het vervolg van de procedure in hoger beroep
- het tussenarrest van 25 oktober 2022;
- de door [appellanten] genomen memorie na tussenarrest van 31 januari 2023;
- de door [geïntimeerde] genomen antwoordmemorie na tussenarrest van 28 februari 2023.
9.De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
- [appellanten] zijn ter zake de bedrijfsruimte met inpandige woonruimte aan de [adres 1] over de periode na 31 december 2020 geen huur of een vergoeding wegens na ontbinding van de huurovereenkomst gederfde huur verschuldigd (rov. 6.5.2 en 6.5.3).
- Vooralsnog moet tot uitgangspunt worden genomen dat [appellanten] aan huur voor het restaurant (post I) € 17.852,60 onbetaald hebben gelaten (rov. 6.7.3).
- Vooralsnog moet tot uitgangspunt worden genomen dat [appellanten] aan huur voor de inpandige woning (post II) € 4.400,16 onbetaald hebben gelaten (rov. 6.7.6).
- Vooralsnog moet tot uitgangspunt worden genomen dat [appellanten] aan vaste component van de huur voor het guesthouse (post III) € 3.085,50 onbetaald hebben gelaten (rov. 6.8).
- Vooralsnog moet tot uitgangspunt worden genomen dat [appellanten] ter zake de variabele component van de huur voor het guesthouse over de periode tot eind augustus 2020 (post IV) € 5.826,70 onbetaald hebben gelaten (rov. 6.9.4).
- Van de door [geïntimeerde] in hoger beroep gevorderde post V, die uit drie posten is opgebouwd, is post Vb ten bedrage van € 230,50 inclusief btw toewijsbaar (rov. 6.10.4).
- De posten Va (ten bedrage van € 1.997,97) en Vc (ten bedrage van € 557,68) zijn niet toewijsbaar (rov. 6.10.5 tot en met 6.10.10).
- De door [geïntimeerde] gevorderde post VII moet worden afgewezen (rov. 6.12.3).
- Nadat alle geschilpunten zijn beoordeeld en is vastgesteld welk bedrag [appellanten] nog aan [geïntimeerde] verschuldigd zijn, moeten de door [appellanten] betaalde waarborgsommen van € 7.050,-- (voor de huur van het restaurant met de inpandige woning) en € 10.000,-- (voor de huur van het guesthouse) worden verrekend met het door [appellanten] aan [geïntimeerde] verschuldigde (rov. 6.13.1 en 6.13.2).
- Naast de bij de posten Va en Vc besproken kosten van de internetplatforms mochten [appellanten] niet ook alle andere kosten in mindering brengen op de door hen van gasten van het guesthouse ontvangen kale huur alvorens de aan [geïntimeerde] toekomende variabele component van 60% vast te stellen (rov. 6.14.1 tot en met 6.14.3).
- Het beroep van [appellanten] op vernietiging van de huurovereenkomst ter zake het guesthouse wegens dwaling is te laat naar voren gebracht en moet om die reden buiten beschouwing blijven (rov. 6.15.1 en 6.15.2). Hetzelfde geldt voor het betoog van [appellanten] over ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerde] met een bij de ontruiming van het gehuurde achtergebleven wasmachine en droger (rov. 6.16.1 en 6.16.2).
- De vordering van [appellanten] in reconventie tot vermindering van de huurprijs vanwege gebreken aan het gehuurde is niet toewijsbaar (rov. 6.18.1 tot en met 6.18.7).
- In verband met de door [geïntimeerde] gestelde post VI moeten [appellanten] een opgave doen van de kosten van internetplatforms die zij met betrekking tot het guesthouse mogelijk hebben gemaakt in de periode van september 2020 tot en met november 2020 (rov. 6.11.6).
- De partijen mogen zich uitlaten over het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1974 en de daarin beschreven methode voor de berekening van huurprijsvermindering in verband met de gevolgen van de coronapandemie (rov. 6.17.5).
- De partijen moeten zich uitlaten over de vraag of aanleiding bestaat voor vermindering van de vaste component van de huur voor het guesthouse in verband met de gevolgen van de coronapandemie (rov. 6.17.8).
- [appellanten] moeten zich uitlaten over de stelling van [geïntimeerde] dat het aantal boekingen ten aanzien van het guesthouse in belangrijke mate is gedaald vanaf het vierde kwartaal van 2019 (dus ruim vóór de ingang van de eerste door de overheid getroffen coronamaatregelen) omdat [appellanten] er omstreeks augustus 2019 voor hebben gekozen het guesthouse niet meer te huur aan te bieden via het platform vakantieadressen.nl (rov. 6.17.9).
- [appellanten] moeten reageren op de stelling van [geïntimeerde] dat de coronamaatregelen slechts in een deel van 2020 hebben gegolden en dat daarmee rekening moet worden gehouden bij de beantwoording van de vraag in hoeverre [appellanten] recht hebben op vermindering van de huurprijs over 2020 (rov. 6.17.10).
- [appellanten] moeten toelichten of zij ten aanzien van het derde kwartaal van 2020 een TVL-uitkering hebben aangevraagd (onder overlegging van de daarop betrekking hebbende beslissingen). Als zij de TVL-uitkering over dit kwartaal niet hebben aangevraagd, moeten zij meedelen waarom zij daarvan hebben afgezien en hoeveel TVL-uitkering zij hadden kunnen krijgen als zij de aanvraag wel hadden ingediend (rov. 6.17.11, eerste deel).
- [appellanten] moeten voorts gemotiveerd, en voor zover mogelijk onderbouwd met stukken, uiteen zetten welk percentage van hun totale bedrijfsmatige vaste lasten (dus ook andere vaste lasten dan huur), wordt gevormd door de huur die zij voor het restaurant verschuldigd zijn en de huur die zij voor het guesthouse verschuldigd zijn (rov. 6.17.11, tweede deel).
- [appellanten] moeten zich uitlaten over de vraag in hoeverre de door hen gestelde alternatieve inkomsten uit de winkel, genoemd in punt 29 van de memorie van grieven in principaal hoger beroep, uitgesplitst per kwartaal, invloed hebben gehad op hun omzet en welke invloed dat moet hebben voor de vermindering van de door hen verschuldigde huurprijzen voor het restaurant en/of het guesthouse (rov. 6.17.12).
- [appellanten] moeten met inachtneming van het voorgaande en overeenkomstig de door de Hoge Raad gegeven formule, een berekening overleggen van de door hen gewenste vermindering van de huurprijs, uitgesplitst per object (restaurant en guesthouse) en per maand van het jaar 2020 (rov. 6.17.13).
“de waarde van het gebruiksrecht van het gehuurde zo sterk is verminderd dat de waardeverhouding tussen de wederzijdse prestaties van de verhuurder en de huurder in ernstige mate is verstoord”in de zin van rov. 3.2.5 van bovengenoemd arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Het hof neemt hier ook bij in aanmerking dat voor zover [appellanten] als gevolg van de coronapandemie minder omzet hebben kunnen genereren in het guesthouse, de door hen te betalen (en door [geïntimeerde] te ontvangen) variabele component van de huur voor het guesthouse dienovereenkomstig lager is geweest.
- mee te delen of zij ten aanzien van het derde kwartaal van 2020 een TVL-uitkering hebben aangevraagd (onder overlegging van de daarop betrekking hebbende beslissingen);
- dan wel, als zij de TVL-uitkering over dit kwartaal niet hebben aangevraagd, mee te delen waarom zij daarvan hebben afgezien en hoeveel TVL-uitkering zij hadden kunnen krijgen als zij de aanvraag wel hadden ingediend.
“het overzicht van productie 15 en de onderbouwende documenten van producties 16 t/m 19, alsmede de toelichting daarop vanaf p. 2 (productie 20), teneinde nodeloze herhaling te voorkomen.”Onderaan de eerste bladzijde van de genoemde productie 20 (bij de antwoordmemorie na eisvermeerdering (door het hof tevens opgevat als memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep) staat over de verhouding tussen de huurprijs en de totale vaste lasten het volgende:
- de berekening ziet niet alleen op het restaurant maar ook op het guesthouse;
- de in de berekening tot uitgangspunt genomen omzetcijfers per jaar zijn niet te verenigen met de cijfers die [appellanten] op de eerste twee bladzijdes van productie 12 bij de memorie van grieven hebben overgelegd en die weergegeven zijn in rov. 6.17.6 van het tussenarrest;
- de berekening van het percentage aan omzetverlies is gemaakt per jaar terwijl een berekening van het omzetverlies per maand (of eventueel per kwartaal) de voorkeur verdient.
- A. [appellanten] moeten meedelen of de omzetcijfers die vermeld zijn op de eerste twee bladzijdes van productie 12 bij de memorie van grieven (de bladzijdes met de kop “Periode vergelijking”) alleen zien op het restaurant of mede op het guesthouse. Als de omzetcijfers zien op het restaurant en het guesthouse moeten [appellanten] verklaren waarom de cijfers niet te verenigen zijn met de omzetcijfers voor restaurant en guesthouse die genoemd zijn bovenaan de derde bladzijde van productie 12 bij de memorie van grieven. Ook moeten [appellanten] dan zo nauwkeurig mogelijk en zo goed mogelijk onderbouwd aangeven welk deel van de in de “Periode vergelijking” genoemde omzetcijfers zien op het restaurant. Dit moet vermeld worden voor alle kwartalen van 2019 en 2020.
- B. [appellanten] moeten de omzetcijfers die zij naar aanleiding van opdracht A voor het restaurant geven per kwartaal, indien mogelijk uitsplitsen per maand. Als een uitsplitsing per maand niet mogelijk is, moeten zij aangeven of zij wensen dat de berekening van de huurprijsvermindering per kwartaal wordt gemaakt.
- C. [appellanten] moeten, als zij alsnog gegevens over de TVL over het derde kwartaal van 2020 kunnen achterhalen, die gegevens alsnog in het geding brengen.
- D. [appellanten] moeten aan de hand van de rekenformule die de Hoge Raad heeft gegeven in rechtsoverweging 3.3.4 van HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1974, een berekening overleggen van de huurprijsvermindering waar zij ten aanzien van het restaurant aanspraak op menen te mogen maken over de maanden maart 2020 tot en met december 2020. [appellanten] kunnen daarbij tot uitgangspunt nemen dat de contractuele huur voor het restaurant over de maanden maart tot en met juni 2020 € 2.181,03 bedraagt, dat de contractuele huur voor het restaurant over de maanden juli 2020 tot en met december 2020 € 2.246,46 bedraagt, dat het aandeel van de huur van het restaurant in de totale vaste lasten van het restaurant 36,71% bedraagt en dat de definitieve TVL-uitkering over het vierde kwartaal van 2020 € 3.824,91 bedraagt. De gegevens die [appellanten] zelf nog in de berekening moeten opnemen betreffen dus – zo mogelijk – de gegevens over de TVL-uitkering over het derde kwartaal van 2020 en het percentage aan omzetvermindering van het restaurant per maand of kwartaal in 2020 ten opzichte van dezelfde maanden of kwartalen in 2019. De berekening dient zo mogelijk per maand te worden uitgevoerd en anders per kwartaal.
- De in rov. 6.6.3 van het tussenarrest genoemde post III (achterstallige vaste component van de huur voor het guesthouse) is toewijsbaar tot een bedrag van € 3.085,50.
- De in rov. 6.6.3 van het tussenarrest genoemde post IV (achterstallige variabele component van de huur voor het guesthouse over de periode tot eind augustus 2020) is toewijsbaar tot een bedrag van € 5.826,70.
- De in rov. 6.6.3 van het tussenarrest genoemde post V is toewijsbaar tot een bedrag van € 230,50 (inclusief btw) en het ter zake post V meer gevorderde moet worden afgewezen.
- De in rov. 6.6.3 van het tussenarrest genoemde post VI (variabele component van de huur van het guesthouse over de periode van 29 augustus 2020 tot en met 8 november 2020) is toewijsbaar tot een bedrag van € 13.882,46 (60% van € 23.137,43).
- De in rov. 6.6.3 van het tussenarrest genoemde post VII is niet toewijsbaar.
- Op hetgeen [appellanten] in totaal aan [geïntimeerde] verschuldigd zijn, moeten de door [appellanten] betaalde waarborgsommen van € 7.050,-- (voor de huur van het restaurant met de inpandige woning) en € 10.000,-- (voor de huur van het guesthouse) in mindering worden gebracht.