De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf wegens zes winkeldiefstallen gepleegd binnen een maand, met aftrek van voorarrest. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen gelast. In hoger beroep werd het vonnis bevestigd, met een aanvulling van de strafoverweging en wettelijke voorschriften.
Het hof benadrukte de ernst van de recidive en het negatieve delictpatroon van de verdachte, die meerdere eerdere veroordelingen en een ISD-maatregel kende. De reclassering rapporteerde risicofactoren zoals gebrek aan woonplaats, problematisch middelengebruik en een pro-criminele houding. Ondanks het ontbreken van motivatie van de verdachte achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend om gedragsverandering mogelijk te maken.
Ten aanzien van de proeftijd van de eerdere voorwaardelijke straf stelde het hof vast dat deze nog niet was verlopen vanwege detentieperioden, en besloot de proeftijd met één jaar te verlengen om de verdachte een kans te bieden zijn leven te verbeteren. Het hof vernietigde het vonnis alleen voor het onderdeel tenuitvoerlegging en deed daarin opnieuw recht, terwijl het overige vonnis werd bevestigd.