Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
’s-Hertogenbosch, van 12 juni 2018, in de strafzaak met parketnummer 01-994064-17 tegen:
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens feitelijke leidinggeving aan het niet doen van een aangifte omzetbelasting door zijn besloten vennootschap over het derde kwartaal van 2015. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en de verdachte vrijgesproken.
Het hof stelde vast dat de vennootschap geen aangifte had gedaan, maar dat de verdachte een boekhouder had ingeschakeld voor de administratie en aangiften. De verdachte had meerdere malen geïnformeerd naar de voortgang van de aangifte en werd onjuist geïnformeerd dat deze in behandeling was. De samenwerking tussen de boekhouder en een administratiekantoor was beëindigd, zonder dat de verdachte hiervan op de hoogte was.
Het hof oordeelde dat de verdachte niet tekort was geschoten in zijn zorgplicht en samenwerking met zijn adviseur, mede gezien zijn beperkte fiscale kennis. Er was onvoldoende bewijs dat hij opzet had op het niet doen van de aangifte of dat hij de aanmerkelijke kans daarop bewust had aanvaard. Daarom kon niet bewezen worden dat hij als feitelijk leidinggever of opdrachtgever schuldig was aan het niet doen van de aangifte.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de verdachte vrij van het tenlastegelegde.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs van opzet op het niet doen van de aangifte omzetbelasting.