Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- [geïntimeerde] , bijgestaan door mr. Van Brunschot-van der Sanden;
- de heer [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.
3.De beoordeling
- een aantal feiten en omstandigheden buiten beschouwing gelaten,
- geoordeeld dat [geïntimeerde] bij het hernieuwde verzoek een voldoende volledig beeld van de situatie heeft gegeven doordat [geïntimeerde] nadrukkelijk naar de eerdere verzoeken ex artikel 287a en 284 Fw heeft verwezen,
- geoordeeld dat aan het hernieuwde verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag liggen,
- geoordeeld dat de situatie van [geïntimeerde] dermate erger is geworden dat nu wel sprake is van een problematische schuldenlast,
- geoordeeld dat [geïntimeerde] ten aanzien van het ontstaan van de schulden
Nu voorts de verplichtingen, die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling, naar behoren worden nageleefd dient het verzoek van [appellante] volgens de bewindvoerder dan ook te worden afgewezen.
Desgevraagd heeft [appellante] ook laten weten dat geen hoger beroep tegen de toelatingsbeslissing van 29 juni 2022 als zodanig onder aanvoering van doorbrekingsgronden is overwogen, toen deze toelating bij [appellante] bekend werd.