ECLI:NL:GHSHE:2023:1445

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 mei 2023
Publicatiedatum
8 mei 2023
Zaaknummer
20-002485-20 (OWV)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511e SvArt. 348 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering wegens ontbreken veroordeling hennepteelt en witwassen

In deze ontnemingszaak stond het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel ter discussie, vastgesteld door de rechtbank op €113.384,00. Het openbaar ministerie vorderde een vermindering tot €62.738,00, terwijl de verdediging primair afwijzing van de vordering bepleitte en subsidiair een aanzienlijke vermindering.

Het hof heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank vernietigd omdat het niet kan instemmen met de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Cruciaal is dat het hof in een gelijktijdige strafzaak het openbaar ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van de onderliggende feiten van hennepteelt en witwassen.

Op grond van artikel 511e lid 1 juncto artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering leidt het ontbreken van een veroordeling tot niet-ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering. Hierdoor ontbreekt de wettelijke grondslag voor de oplegging van een betalingsverplichting aan de Staat.

Het hof verklaart daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering en vernietigt het vonnis van de rechtbank. Deze beslissing werd op 4 mei 2023 uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens het ontbreken van een veroordeling.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002485-20 (OWV)
Uitspraak : 4 mei 2023
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 5 november 2020 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak met parketnummer 03-659516-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 113.384,00 en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van gelijke hoogte.
Namens betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 16 september 2022 en 21 april 2023 alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing van de rechtbank zal vernietigen en het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op een bedrag van € 62.738,00 en aan de betrokkene een betalingsverplichting zal opleggen voor dat bedrag.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de ontnemingsvordering zal afwijzen. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal verminderen. Meer subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal matigen tot een bedrag van € 3.740,00.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het tenlastegelegde onder 1, 2 en 6 in de onderliggende strafzaak (parketnummer 20-002484-20), kort gezegd het opzettelijk telen, dan wel opzettelijk aanwezig hebben van 14.374 gram hennep (feit 1), het opzettelijk telen dan wel aanwezig hebben van 604 hennepplanten (feit 2) en witwassen (feit 6), ligt ten grondslag aan de ontnemingsvordering.
Het hof heeft bij arrest van heden in die zaak de bestreden uitspraak vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde.
Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat. Door de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de hoofdzaak is aldus de grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel komen te ontvallen.
Nu een veroordeling ter zake het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde ontbreekt kan het Openbaar Ministerie niet in de ontnemingsvordering worden ontvangen en zal – onder vernietiging van het vonnis – daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 4 mei 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A.R. Hartmann en mr. R.G.A. Beaujean zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.