In hoger beroep is de machtiging tot gesloten plaatsing van een minderjarige bevestigd. De minderjarige had zich onttrokken aan noodzakelijke hulpverlening en vertoonde ernstige gedrags- en eetproblematiek die haar ontwikkeling ernstig belemmerden.
De minderjarige betwistte de onderbouwing en stelde dat de instemmingsverklaring onvoldoende was, maar het hof oordeelde dat aan de formele en materiële vereisten was voldaan. De gedragswetenschapper had de minderjarige onderzocht en een instemmingsverklaring afgegeven.
Hoewel er een prille positieve ontwikkeling is, acht het hof deze nog te pril om de gesloten plaatsing te beëindigen. De veiligheid en noodzakelijke zorg zijn binnen de gesloten setting gewaarborgd. De GI streeft naar een zo kort mogelijke duur en een toekomstige open setting zodra verantwoord.
De verzoeken tot voorlopige voorziening en schorsing van de beschikking zijn ingetrokken en niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de rechtbank Limburg wordt bekrachtigd.