Deze zaak betreft het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter Limburg die het verzoek tot opheffing van het bewind over de goederen van de rechthebbende had afgewezen. De rechthebbende stelde dat hij zelfstandig zijn vermogensrechtelijke belangen kon behartigen en dat zijn bipolaire stoornis was verbeterd. Hij bracht een verklaring van een psychiater in die zijn zelfstandigheid bevestigde.
De bewindvoerder betwistte de verbetering en benadrukte de noodzaak van het bewind vanwege de geestelijke toestand en het voorkomen van schulden. Tijdens de mondelinge behandeling werd vastgesteld dat de rechthebbende schuldenvrij is, geen medicatie meer gebruikt en geen drugs meer gebruikt.
Het hof hechtte meer waarde aan het deskundigenrapport van de psychiater en concludeerde dat de grond voor het bewind niet langer aanwezig is. Daarom vernietigde het hof de eerdere beschikking en wees het het verzoek tot opheffing toe. Tevens werd bepaald dat de bewindvoerder binnen twee maanden een eindrekening en verantwoording moet afleggen. De proceskosten werden gecompenseerd.