In deze strafzaak stond verdachte terecht voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet door het exploiteren van een hennepkwekerij en diefstal door twee of meer verenigde personen met verbreking. De rechtbank had verdachte schuldig verklaard en toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zonder strafoplegging.
Verdachte stelde hoger beroep in tegen de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, stellende dat sprake was van een flagrante overschrijding van de redelijke termijn en dat de vervolging was ingegeven door het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel, wat een détournement de pouvoir zou zijn. Het hof oordeelde dat hoewel de redelijke termijn aanzienlijk was overschreden, dit niet tot niet-ontvankelijkheid leidt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het hof overwoog dat verdachte niet aan alle voorwaarden van een eerder aangeboden transactie had voldaan, waardoor de transactie verviel en vervolging mogelijk bleef. De vervolging diende meerdere strafvorderlijke belangen, waaronder leedtoevoeging en het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof verwierp het verweer van détournement de pouvoir en bevestigde het vonnis van de rechtbank, met een aanvulling op het bewijs.