ECLI:NL:GHSHE:2023:1735

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 mei 2023
Publicatiedatum
25 mei 2023
Zaaknummer
200.295.362_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:299 BWArt. 3:300 BWArt. 6:10 BWArt. 30 Wetboek van Familie en VoogdijVerordening (EU) 2016/1103
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling huwelijksgemeenschap en draagplicht hypotheeklasten bij echtscheiding met onvindbare echtgenoot

In deze zaak staat de verdeling van de huwelijksgemeenschap tussen partijen centraal, waarbij de vrouw in hoger beroep meerdere grieven heeft ingediend tegen de beschikking van de rechtbank. De man is onvindbaar en verschijnt niet in hoger beroep, terwijl de vrouw wordt bijgestaan door een advocaat en tolk.

Het hof bevestigt dat Pools recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en stelt vast dat de gemeenschap eindigt bij inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 19 augustus 2022. De woning wordt toegewezen aan de vrouw, waarbij het hof bepaalt dat de man vanaf die datum voor de helft moet bijdragen in de hypotheeklasten. De vrouw heeft recht op regres voor het meerdere dat zij heeft betaald.

Verder wijzigt het hof de eerdere termijn van negen maanden voor levering van de woning en machtigt het de vrouw om namens de man de noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten voor de levering van de woning, gezien diens onvindbaarheid. Ook worden de kosten van levering gelijkelijk verdeeld.

Ten aanzien van de draagplicht voor overige schulden wijst het hof het verzoek van de vrouw af wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden gecompenseerd met ieder eigen kosten.

De beschikking van de rechtbank wordt op onderdelen vernietigd en herzien, waarbij het hof uitvoerbaar bij voorraad verklaart.

Uitkomst: Het hof wijzigt de verdeling van de woning en hypotheeklasten, machtigt de vrouw tot levering zonder medewerking van de man en bepaalt dat kosten en lasten gelijkelijk worden verdeeld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.295.362/01
zaaknummer rechtbank : C/02/376429 / FA RK 20-4665
beschikking van de meervoudige kamer van 25 mei 2023
inzake
[de vouw],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. P.B.J. Dekker te Tilburg,
tegen
[de man],
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
van wie geen advocaat bekend is.

7.De beschikking d.d. 24 maart 2022

Bij die beschikking heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 maart 2021 bekrachtigd voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken en is iedere verdere beslissing aangehouden.

8.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft op 15 maart 2023 plaatsgevonden. Daarbij is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. P.B.J. Dekker en een tolk in de Poolse taal, mevrouw M. Theunissen (Wbtv-nummer: 1078). De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

9.De verdere beoordeling

9.1.
De vrouw heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd tegen de bestreden beschikking. Haar grieven zien op de volgende onderwerpen:
- de woning aan [adres] te [woonplaats] :
 hypothecaire geldlening (grief 1 eerste onderdeel en grief 6);
  • verzoeken op grond van art. 3:299 BW Pro / art. 3:300 BW Pro (grief 4 en 5);
  • termijn levering woning (grief 2);
  • kosten overdracht woning (grief 1 tweede onderdeel);
- draagplicht schulden (grief 3):
  • schuld belastingdienst;
  • schuld Vereniging Bureau der Motorrijtuigenverzekeraars;
  • medische facturen;
  • schuld CJIB en RDW;
  • overige schulden, boetes en financiële verplichtingen;
- verrekening (grief 6).
9.2.
Het
hofzal hierna de grieven per onderwerp bespreken.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
9.3.
Omdat het verzoekschrift van de vrouw is ingediend na 29 januari 2019 (namelijk op 7 september 2020), wordt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van de verzoeken kennis te nemen, bepaald aan de hand van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (HuwVermVo). Aangezien de bevoegdheid van de Nederlandse rechter inzake de echtscheiding volgt uit het bepaalde in art. 3 lid 1 sub a tweede Pro streepje Brussel II-bis (partijen hebben hun laatste gewone verblijfplaats in Nederland gehad en de vrouw verblijft nog altijd in Nederland) brengt rechtsmacht in de echtscheidingszaak op grond van art. 5 lid 1 HuwVermVo Pro ook rechtsmacht mee met betrekking tot het verdelingsverzoek.
De rechtbank heeft Pools recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV6684) ook het hof Pools recht zal toepassen.
9.4.
Volgens het Poolse wettelijke huwelijksvermogensregime ontstaat de gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten van rechtswege op het moment dat het huwelijk wordt voltrokken. Hieronder vallen activa die zowel afzonderlijk als gezamenlijk tijdens het bestaan van de gemeenschap door de echtgenoten worden verworven. De activa die niet tot de gemeenschap van goederen behoren, maken deel uit van het persoonlijke vermogen van elke echtgenoot (artikel 31 lid Pro l van de Familie en Voogdijcode). De rechter kan de gemeenschappelijke goederen verdelen wanneer het wettelijke regime wordt beëindigd als gevolg van onder meer de ontbinding van het huwelijk. Als uitgangspunt geldt dat elk van de echtgenoten recht heeft op een gelijk aandeel in de gemeenschap van goederen. De rechter kan worden verzocht om een ongelijke verdeling op te leggen.
De woning aan [adres] te [woonplaats]
9.5.
De rechtbank heeft over de woning aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) het volgende overwogen:
“2.4.6. Nu door de man geen verweer is gevoerd, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat de woning aan [adres] te [postcode] [woonplaats] in beginsel aan haar zal worden toegedeeld tegen een waarde van € 150.000,=, waarbij de op de woning gevestigde hypothecaire geldlening bij [onderneming] (met lening nummer [nummer]), onder vrijwaring van de man, volledig door de vrouw zal worden gedragen en afgelost. De vrouw moet er voor zorgdragen dat de man wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke verplichtingen jegens [onderneming]. De vrouw moet de helft van de waarde van € 150.000,= minus het restant van de hypothecaire geldlening op de datum van overdracht van de woning aan haar, aan de man voldoen, waarbij de eventuele kosten voor overdracht van de woning aan haar voor rekening van de vrouw komen. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de vrouw er
voor zorg moet dragen dat de woning uiterlijk negen maanden na de datum van deze beschikking aan haar wordt geleverd.
2.4.7.
Indien de vrouw er niet in slaagt om de aankoop van de woning binnen de hiervoor vermelde termijn te financieren, dan moet de woning – conform het verzoek van de vrouw – door tussenkomst van een door de vrouw aan te wijzen makelaar worden verkocht aan een derde. In dat geval komt aan ieder van partijen toe de helft van de overwaarde van de woning, berekend op de wijze zoals hierboven vermeld, waarbij de waarde van € 150.000,= dan wordt vervangen door de feitelijke verkoopprijs.”
-
hypothecaire geldlening (grief 1 en 6)
9.6.
Grief 1 van de
vrouwvalt uiteen in twee onderdelen. Het eerste onderdeel houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het restant van de hypothecaire geldlening op de datum van overdracht van de woning in mindering dient te worden gebracht op de waarde van de woning. De rechtbank had uit moeten gaan van de hoogte van de hypothecaire geldlening op 31 december 2019. De man heeft op die datum de woning verlaten en vanaf dat moment betaalt de vrouw de volledige hypotheeklast, bestaande uit aflossing en rente. De hoogte van de hypothecaire geldlening bedroeg op 31 december 2019 € 139.077,--. Indien het hof de vrouw niet volgt in haar stelling, dan verzoekt zij met haar zesde grief te bepalen dat de man gehouden is om met ingang van de datum indiening verzoekschrift, dan wel ontbinding van het huwelijk aan de vrouw te voldoen de helft van de door haar betaalde lasten van de echtelijke woning (het hof begrijpt: de hypotheekrente en -aflossing).
9.7.
Het
hofoverweegt als volgt.
9.7.1.
Ingevolge Pools recht eindigt de huwelijksgemeenschap op het moment dat de echtscheidingsbeslissing rechtskracht heeft gekregen. In de onderhavige zaak is door het hof op 24 maart 2022 de, door de rechtbank tussen partijen uitgesproken, echtscheiding bekrachtigd. Uit raadpleging van de Basisregistratie Personen van de gemeente [woonplaats] is het hof gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 19 augustus 2022 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het hof gaat ervan uit dat op dat moment de huwelijksgemeenschap van partijen is geëindigd. Dit betekent dat de peildatum voor de omvang van de gemeenschap bepaald wordt op 19 augustus 2022. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet het hof onvoldoende grond om, daar waar het gaat om de omvang van de hypothecaire geldlening, af te wijken van die peildatum. Daarom faalt het eerste onderdeel van grief 1 van de vrouw.
9.7.2.
De zesde grief van de vrouw ziet op de draagplicht van de hypotheeklasten. Uitgangspunt is dat partijen verplicht zijn bij te dragen in de hypothecaire geldlening, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, en de kosten daarvan en wel voor het gedeelte van de schuld dat ieder van hen in hun onderlinge verhouding aangaat. Het hof begrijpt de grief van de vrouw aldus dat zij stelt dat partijen bij helfte draagplichtig zijn. Nu daartegen geen verweer wordt gevoerd, en dit het hof ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal het hof daarvan uitgaan. Niet in geschil is dat de vrouw al sinds 31 december 2019 uit eigen middelen de rente en aflossing betaalt van de hypothecaire geldlening, waarvoor ook de man hoofdelijk aansprakelijk is. Zoals hiervóór is overwogen, gaat het hof ervan uit dat de huwelijksgemeenschap van partijen is geëindigd op 19 augustus 2022. Vanaf dat moment is de man op grond van art. 6:10 BW Pro gehouden om voor de helft bij te dragen in de rente en aflossing van de hypothecaire geldlening die is verbonden aan de woning van partijen. Nu de vrouw niet de helft, maar de volledige hypotheekrente en -aflossing voldoet, heeft zij vanaf 19 augustus 2022 tot aan het moment van overdracht van de woning voor dat meerdere een vordering op de man. Aldus zal het hof bepalen. In zoverre slaagt grief 6 van de vrouw.
-
verzoeken op grond van art. 3:299 BW Pro / art. 3:300 BW Pro (grief 4 en 5)
9.8.
Met haar grieven 4 en 5 verzoekt de
vrouwhet hof haar alsnog te machtigen als bedoeld in art. 3:299 BW Pro om mede namens de man al datgene te doen dat nodig is om te bewerkstelligen dat de woning aan haar wordt geleverd, alsmede te bepalen dat de uitspraak van de rechter op grond van art. 3:300 BW Pro in de plaats treedt van de rechtshandelingen van de man die noodzakelijk zijn voor de levering van de woning aan de vrouw, waaronder de vereiste handtekening van de man op de door de notaris op te stellen akte van levering. Omdat de man geen bekende woon- of verblijfplaats heeft binnen of buiten Nederland en de vrouw geen enkel contact met hem heeft, heeft zij er belang bij dat zij de overgang van de woning aan haar zonder de benodigde medewerking van de man kan uitvoeren.
9.9.
Het
hofoverweegt als volgt.
In het door de vrouw gestelde ziet het hof aanleiding om haar verzoeken op grond van art. 3:299 BW Pro en art. 3:300 BW Pro toe te wijzen. Onder de gegeven omstandigheden, waarbij de man al ruim drie jaar onvindbaar is voor de vrouw en tot op heden niet bekend is waar hij zich ophoudt, bestaat hiervoor voldoende grond. De grieven 4 en 5 slagen mitsdien.
-
termijn levering woning (grief 2)
9.10.
Grief 2 van de
vrouwhoudt in dat de rechtbank ten onrechte een termijn van negen maanden heeft verbonden aan de levering van de woning aan de vrouw. Nu de man geen bekende woon- en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland heeft en de vrouw ook geen enkel contact met hem heeft, is het voor haar onmogelijk om de woning binnen een termijn van negen maanden aan haar te laten toedelen.
9.11.
Het
hofoverweegt als volgt.
Anders dan de rechtbank, ziet het hof geen aanleiding om een termijn te bepalen waarbinnen de woning aan de vrouw geleverd dient te worden. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank op dit punt dan ook vernietigen. Met de toewijzing van de verzoeken van de vrouw als bedoeld in art. 3:299 BW Pro en art. 3:300 BW Pro (zie rov. 9.9 hiervóór) gaat het hof ervan uit dat de vrouw op korte termijn de overgang van de woning aan haar zal realiseren. Grief 2 van de vrouw slaagt mitsdien.
-
kosten overdracht woning (grief 1, tweede onderdeel)
9.12.
Het tweede onderdeel van grief 1 van de
vrouwhoudt in dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de kosten voor overdracht van de woning volledig voor haar rekening dienen te komen. Het is gebruikelijk dat deze kosten ieder voor de helft van partijen komen. Er is geen reden om van dit gebruik af te wijken.
9.13.
Het
hofoverweegt als volgt.
Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de kosten voor de overgang van de woning door beide partijen, ieder voor de helft, gedragen dienen te worden. Dit gelet op het feit dat de woning aan beide partijen in eigendom toebehoort. Aldus zal het hof bepalen. Grief 1, tweede onderdeel, slaagt mitsdien.
Draagplicht schulden (grief 3)
9.14.
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“2.5.1. Met betrekking tot de draagplicht voor de schulden aan de Belastingdienst, de Vereniging Bureau der Motorrijtuigenverzekeraars, de medische facturen, de schulden aan CJIB en RDW en de overige schulden, boetes en financiële verplichtingen (zoals geformuleerd in de punten 19 tot en met 23 in het verzoekschrift van de vrouw) wordt als volgt overwogen. Voor zover door de vrouw bewijsstukken van de schulden in het geding zijn gebracht, blijkt daaruit dat de schulden zijn ontstaan in de periode voor indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (op 7 september 2020) en dus vóór de datum waarop het wettelijke regime tussen partijen is beëindigd. Niet gesteld of gebleken is op welke grond de rechtbank in het kader van deze echtscheidingsprocedure kan bepalen dat de man volledig draagplichtig is voor de hiervoor genoemde schulden. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook als niet op de wet gegrond afwijzen.
Voor de volledigheid wordt daarbij opgemerkt dat als uitgangspunt geldt, volgens het bepaalde in artikel 30 van Pro het Wetboek van Familie en Voogdij, een hoofdelijke aansprakelijkheid van beide echtgenoten voor de schulden. Hiervan kan, volgens lid 2 van voormeld artikel, worden afgeweken indien sprake is van zwaarwegende omstandigheden op grond waarvan de aansprakelijkheid van de vrouw kan worden beperkt. De enkele stelling van de vrouw, dat de door haar genoemde schulden "niet zijn aangegaan voor de alledaagse behoeften van het gezin", is in dit verband onvoldoende. Ook heeft de vrouw de hoogte, aard en omvang van de door haar genoemde schulden niet volledig inzichtelijk gemaakt. Zo is bijvoorbeeld in punt 19 van het verzoekschrift aangegeven dat de boete vanwege het niet kunnen voldoen van de aangifte IB 2017 door de man moet worden voldaan, maar heeft de vrouw nagelaten de hoogte van deze boete te stellen en heeft zij niet vermeld op welke datum de boete is ontstaan.”
9.15.
Grief 3 van de
vrouwhoudt, kort gezegd, in dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek heeft afgewezen te bepalen dat de man volledig draagplichtig is voor de schulden aan de Belastingdienst, de Vereniging Bureau der Motorrijtuigenverzekeraars, de medische facturen, de schulden aan CJIB en RDW en de overige schulden, boetes en financiële verplichtingen. Onder verwijzing naar het door haar in hoger beroep als productie 5 overgelegde rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) stelt de vrouw zich – samengevat – op het standpunt dat de man volledig draagplichtig moet worden geacht voor de hiervoor genoemde schulden.
9.16.
Het
hofoverweegt als volgt.
Niet in geschil is dat de door de vrouw genoemde schulden in de huwelijksgemeenschap vallen. De vrouw heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit moet volgen dat de man volledig draagplichtig moet worden gehouden voor de schulden aan de Belastingdienst, de Vereniging Bureau der Motorrijtuigenverzekeraars, de medische facturen, de schulden aan CJIB en RDW en de overige schulden, boetes en financiële verplichtingen. Weliswaar heeft de vrouw ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar het door haar overgelegde rapport van het IJI, maar het hof stelt vast dat het IJI zich in dit rapport slechts uitlaat over de aansprakelijkheid van echtgenoten voor schulden. Het IJI laat zich niet uit over de onderlinge draagplicht daarvan. Het beroep van de vrouw op dit rapport kan haar daarom in dit verband niet baten. Dit betekent dat de grief van de vrouw faalt.

10.De slotsom

in het hoger beroep:
10.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen zoals hierna in het dictum is bepaald.
10.2.
Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn

11.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 2 maart 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en uitsluitend voor zover de rechtbank daarin heeft bepaald dat de vrouw ervoor zorg moet dragen dat de woning uiterlijk negen maanden na de datum van die beschikking aan haar geleverd wordt en de eventuele kosten voor de levering van de woning aan haar voor rekening van de vrouw komen,
en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
machtigt de vrouw op grond van art. 3:299 lid 1 BW Pro om mede namens de man al datgene te doen dat nodig is om te bewerkstelligen dat de woning aan het adres [adres] te [postcode] [woonplaats] aan haar wordt geleverd;
bepaalt dat, indien de man niet binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking de aan hem opgedragen medewerking verleent, de beschikking van de rechtbank van 2 maart 2021, voor zover die betrekking heeft op de levering van de woning aan het adres [adres] te [postcode] [woonplaats] , in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van een deel van de notariële akte(s), namelijk voor zover het betreft de medewerking van de man die noodzakelijk is voor de levering van de woning aan de vrouw;
bepaalt dat de kosten voor de levering van genoemde woning door beide partijen, ieder voor de helft, gedragen dienen te worden;
bepaalt dat partijen in hun onderlinge verhouding in de periode van 19 augustus 2022 tot aan de datum van levering van de woning aan de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de aan de woning verbonden hypotheekrente en -aflossing en bepaalt dat de vrouw voor zover zij in genoemde periode meer dan de helft van die lasten heeft voldaan, zij voor dat meerdere regres heeft op de man;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, G.J. Vossestein en R.W.J. van Veen, en is op 25 mei 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.