De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank die een omgangsregeling vaststelde waarbij zij eens per drie maanden gedurende tweeënhalf uur onder begeleiding contact heeft met haar dochter, de minderjarige. De moeder verzocht om een opbouwende regeling met frequenter contact, uiteindelijk tweemaal per maand een gehele dag.
De minderjarige verblijft sinds 2017 bij pleegouders vanwege problematiek en is recent begonnen met traumatherapie. De gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming adviseerden terughoudendheid en benadrukten dat eerst vooruitgang bij de minderjarige moet worden geboekt voordat uitbreiding mogelijk is.
Het hof overweegt dat de huidige regeling het maximaal haalbare is gezien de kwetsbaarheid en gedragsproblematiek van de minderjarige. De moeder houdt onvoldoende rekening met het belang van het kind en de therapie die het kind volgt. De wens van de minderjarige om de huidige omgangsregeling te handhaven wordt meegewogen.
Daarom wijst het hof het verzoek van de moeder af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank. De omgangsregeling blijft ongewijzigd.