Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/383362 / HA ZA 21-130)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord;
- de mondelinge behandeling, waarbij HPI spreekaantekeningen heeft overgelegd.
3.De beoordeling
"Mocht je op-/aanmerkingen, aanvullingen en/ of correcties hebben, hoor ik dat graag van je."
"Op 21 april 2020 heeft HPI in aanwezigheid van Bodek de door Bodek gerenoveerde appartementen van het project in [plaats] ter plaatse geïnspecteerd") faalt.
schriftelijkeaanmaning waarbij hem een redelijke termijn wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Het standpunt dat HPI in punt 9 van haar memorie van grieven heeft ingenomen, namelijk dat voor een ingebrekestelling geen vormvereiste geldt, verwerpt het hof daarom. Een ingebrekestelling moet schriftelijk geschieden.
Dit standpunt is evenwel niet eerder dan ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren gebracht en moet daarom worden verworpen. De in artikel 347 lid 1 Rv Pro besloten twee-conclusie-regel brengt immers mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven zijn aangevoerd. HPI heeft het standpunt te laat naar voren gebracht.
"De door HPI Grundbesitz IV B.V. eerder ingebracht factuur betrof niet de juiste factuur aangezien Yomi Bau Service niet meer actief is sinds mei 2019, dit is afgestemd met de heer Nagtzaam, de werkzaamheden zijn door Bodek Holding B.V. uitgevoerd". Maar onduidelijk blijft waarom uit de enkele omstandigheid dat
"Yomi Bau Service niet meer actief is"zou moeten volgen dat niet Yomi - als wederpartij van Sciarone - maar Bodek gehouden zou zijn de factuur van Sciarone te betalen. Daartoe is volstrekt onvoldoende gesteld.
Evenmin heeft HPI aanmaningsbrieven van [XXX] aan Bodek, betrekking hebbend op de drie overgelegde facturen, in het geding gebracht.