ECLI:NL:GHSHE:2023:1874

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 juni 2023
Publicatiedatum
8 juni 2023
Zaaknummer
20-000860-20
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 36f SrArt. 6 EVRMArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na oplichting

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd waarin het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal vorderde dat het hof het vonnis vernietigt en het voordeel schat op €158.433,64, met een betalingsverplichting aan de Staat.

De betrokkene is in een samenhangende strafzaak veroordeeld voor oplichting en andere strafbare feiten. Het hof concludeert dat het voordeel gelijk is aan de bijschrijvingen op bankrekeningen waarvan de betrokkene de enige gemachtigde was en die geen zakelijke activiteiten kenden, waardoor alle bijschrijvingen vermoedelijk uit strafbare feiten stammen.

Het hof wijst af dat vorderingen van benadeelde partijen in mindering worden gebracht omdat geen betalingen zijn verricht. Ook is geen sprake van verbeurdverklaarde inbeslaggenomen geldbedragen. De redelijke termijn is niet geschonden in deze ontnemingszaak, omdat dit reeds in de strafzaak is betrokken.

De betalingsverplichting wordt vastgesteld op €158.433,64 en de maximale gijzelingstermijn op 1080 dagen. Het arrest is gewezen door mr. A.J.M. van Gink, mr. S. Riemens en mr. A.C. Bosch, waarbij mr. Bosch niet kon ondertekenen.

Uitkomst: Betrokkene wordt veroordeeld tot betaling van €158.433,64 aan wederrechtelijk verkregen voordeel met een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000860-20 OWV
Uitspraak : 7 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 maart 2020, in de ontnemingszaak met parketnummer 03-254273-18 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1948,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op een bedrag van € 123.000,- en dat, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, de betrokkene de verplichting tot betaling van een bedrag van € 110.000,- zal worden opgelegd.
Door de verdediging is bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de ontnemingsvordering, gelet op de integrale vrijspraak die in de met deze zaak samenhangende strafzaak tegen de betrokkene is bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.
De schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij arrest van dit hof van heden (parketnummer 20-000859-20) veroordeeld ter zake van onder meer - kort weergegeven – oplichting, tot straf.
De wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van het in voornoemd arrest bewezenverklaarde en door middel van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn gegaan, een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
De schatting van het voordeel
Het hof overweegt als volgt:
  • de betrokkene heeft zich schuldig gemaakt aan - eenvoudig gezegd – internetoplichting;
  • de gedupeerde kopers hebben geldbedragen overgemaakt op bankrekeningen van door de betrokkene opgerichte rechtspersonen, waarvan hij - middellijk- enig aandeelhouder en bestuurder was;
  • de betrokkene was de enige gemachtigde tot die bankrekeningen;
  • door middel van het begaan van de in voornoemd arrest bewezenverklaarde oplichtingen heeft de betrokkene derhalve een voordeel genoten gelijk aan de door de gedupeerde kopers overgemaakte geldbedragen;
  • nu de rechtspersonen in kwestie geen “zakelijke” activiteiten hebben ontplooid die de andere bijschrijvingen op de bankrekeningen van de rechtspersonen in kwestie kunnen verklaren, zijn er naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen dat alle bijschrijvingen op voornoemde bankrekeningen afkomstig zijn van andere strafbare feiten die door de betrokkene zijn begaan.
Het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt dan ook geschat op het totaal van de bijschrijvingen op de bankrekeningen, te weten een bedrag van 158.433,64 euro.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Benadeelde partijen
Voor zover de advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in de onderliggende strafzaak toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in mindering dienen te worden gebracht op het vast te stellen wederrechtelijk verkregen voordeel, stelt het hof het navolgende vast.
Ten tijde van het bewezenverklaarde bepaalde artikel 36e, negende lid, Wetboek van Strafrecht het volgende:
Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f voor zover die zijn voldaan, in mindering gebracht.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen dat deels gelijk is aan de omvang van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof komt echter tot een andere gevolgtrekking als de advocaat-generaal.
Artikel 36e, negende lid, Wetboek van Strafrecht, bepaalt immers dat aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen almede schadevergoedingsmaatregelen overeenkomstig artikel 36f, enkel in mindering kunnen worden gebracht wanneer deze (al dan niet gedeeltelijk) zijn voldaan. In onderhavige zaak is geenszins gebleken van enige betaling aan de benadeelde partijen.
Verbeurdverklaring
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de waarde van de inbeslaggenomen geldbedragen ter hoogte van € 11.061,116 die mogelijk in de onderliggende strafzaak zouden worden verbeurdverklaard, in mindering dienen te worden gebracht op de op te leggen betalingsverplichting.
Het hof stelt het navolgende voorop:
Door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Wordt in zo een geval tevens de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd, dan dient, in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van de onder de betrokkene inbeslaggenomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde voorwerpen in mindering te worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting, met dien verstande dat de geldelijke waarde van die voorwerpen het vastgestelde bedrag dat een betrokkene in verband met het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat moet betalen niet kan overstijgen.
In het licht van deze vooropstelling stelt het hof vast dat in de onderliggende strafzaak niet is gebleken van inbeslaggenomen geldbedragen die zijn verbeurdverklaard.
Voor zover er sprake is van inbeslaggenomen geldbedragen waarop conservatoir beslag rust, zal dit in de executiefase worden verrekend, waarbij wordt opgemerkt dat indien
in de executiefase bedragen ten goede van de betalingsverplichting komen, deze eerst in mindering worden gebracht op de omvang van de schadevergoedingsmaatregel. De inning van een ontnemingsmaatregel mag immers overeenkomstig de wetsgeschiedenis van artikel 36e, achtste lid, Sr niet ten koste gaan van een schadevergoedingsmaatregel. Van deswege zal overeenkomstig de wetsgeschiedenis aan de inning van een schadevergoedingsmaatregel voorrang worden verleend.
Redelijke termijn
Voor zover er in deze ontnemingszaak sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro zal het hof daaraan geen verdere consequenties verbinden nu deze schending in de onderliggende strafzaak met parketnummer 20-000860-20, waarin het hof heden eveneens arrest heeft gewezen, reeds bij de strafoplegging in matigende zin is betrokken.
Resumé
Het vorenstaande impliceert dat het hof aan betrokkene een betalingsverplichting zal opleggen die gelijk is aan het wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten 158.433,64 euro.
Gijzeling
Met ingang van 1 januari 2020 is het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht direct van toepassing geworden. Het hof zal daarom bij het opleggen van de maatregel ook de duur van de gijzeling bepalen die, met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering, in dit geval ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur wordt overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting voor elke volle € 50,- van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste drie jaar.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 158.433,64(zegge: honderdachtenvijftigduizend vierhonderddrieëndertig euro en vierenzestig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 158.433,64(zegge: honderdachtenvijftigduizend vierhonderddrieëndertig euro en vierenzestig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,
mr. S. Riemens en mr. A.C. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.P.T.G. van den Uithoorn, griffier,
en op 7 juni 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Bosch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.