Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
Het hof overweegt dat nu de man stelt dat de woning in [land] in de gemeenschap valt en verdeeld moet worden, op hem de bewijslast van zijn stelling rust. Het hof constateert dat de man (ook) in hoger beroep heeft erkend dat die woning in maart 2020 op naam van de broer van de vrouw stond. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij toegelicht dat dit op 16 maart 2020 in een overleg, waarbij ook de advocaten van partijen aanwezig waren, aan hem is verteld. Aldus staat tussen partijen vast dat (in ieder geval) op 16 maart 2020 de woning in [land] in eigendom van de broer van de vrouw was.
De man heeft evenmin nader bewijs van zijn stellingen aangeboden.
6.De beslissing
voorlopigeregeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de vrouw met betrekking tot [minderjarige ] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , dat [minderjarige ] bij de man verblijft: