De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van zijn twee minderjarige kinderen, die sinds januari 2021 onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling (GI). De rechtbank had de ondertoezichtstelling verlengd tot 15 januari 2024. De vader verzocht om vernietiging van deze beschikking en een verkorting van de termijn, stellende dat de ondertoezichtstelling een laatste redmiddel is en onvoldoende vooruitgang is geboekt.
De GI en de moeder verzetten zich tegen het beroep en vinden de verlenging noodzakelijk. De GI benadrukt dat de belangen van de kinderen voorop staan en dat het tempo van contactuitbreiding met de vader verantwoord moet zijn. De vader vertoont volgens de GI onvoldoende motivatie om aan zichzelf te werken en er zijn incidenten geweest die de voortgang belemmeren. De moeder wijst op het beschadigde vertrouwen en de noodzaak van een zorgvuldige opbouw.
Het hof overweegt dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling en dat het gedrag van de vader de voortgang remt. Het enkele verlangen van de vader naar meer regie vanuit de rechtbank is onvoldoende om de termijn te verkorten. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad.