Klaagsters dienden een beklag in tegen het besluit van de officier van justitie om beklaagde niet te vervolgen voor belediging, bedreiging en discriminatie. Het hof hield een raadkamerzitting waarin beklaagde werd gehoord en zijn advocaat argumenteerde dat strafrechtelijke vervolging niet opportuun is vanwege een civiele veroordeling en het ontbreken van nieuwe incidenten.
Het hof erkent de ernst van de feiten en het leed dat klaagsters is aangedaan, met name de discriminerende uitingen. Desondanks weegt het hof het algemeen belang en het belang van beklaagde mee en concludeert dat strafrechtelijke vervolging niet noodzakelijk is. Een stopgesprek heeft geleid tot het uitblijven van nieuwe strafbare feiten.
Daarnaast is beklaagde in een civiele procedure veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan klaagsters, wat bijdraagt aan het oordeel dat strafvervolging niet opportuun is. Het hof wijst het beklag daarom af en bevestigt het niet-vervolgingsbesluit.