ECLI:NL:GHSHE:2023:218

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 januari 2023
Publicatiedatum
25 januari 2023
Zaaknummer
20-002869-20
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoger beroep poging tot diefstal met geweld en schadevergoeding

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin verdachte was veroordeeld voor poging tot diefstal met geweld tegen personen. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en diverse bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal vorderde een hogere straf en volledige toewijzing van de schadevergoeding aan de benadeelde partij, terwijl de verdediging primair vrijspraak bepleitte en subsidiair een lagere straf en afwijzing van de schadevergoeding. Het hof heeft het bewijs en de overwegingen van de rechtbank overgenomen en het verweer van de verdediging verworpen.

Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, maar oordeelde dat deze geringe overschrijding geen aanleiding gaf tot strafvermindering. De opgelegde straf en voorwaarden blijven gehandhaafd, evenals de gedeeltelijke toewijzing van de schadevergoeding van €1.847,81 aan de benadeelde partij. De tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen is eveneens gelast.

Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof op 23 januari 2023 en bevestigt het vonnis waarvan beroep zonder wijziging.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en wijst schadevergoeding toe aan de benadeelde.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002869-20
Uitspraak : 23 januari 2023
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 december 2020 met parketnummer 01-215785-20 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen met parketnummers 22-002966-18 en 10-212535-17, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd – poging tot diefstal met geweld tegen personen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijk strafdeel naast algemene voorwaarden ook bijzondere voorwaarden verbonden, te weten, kort gezegd:
- een meldplicht bij verslavingsreclassering [verslavingskliniek];
- het zich gedurende de proeftijd gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering;
- een medewerkingsverplichting aan indicatiestelling (IFZ);
- een ambulante behandelverplichting met daarbij de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname voor een duur van maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;
- een medewerkingsverplichting aan plaatsing in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
- een medewerkingsverplichting aan middelencontrole en aan de begeleidingsmodule Stap voor Stap voor het werken aan bewustwording van zijn leefstijl en middelenproblematiek. De voorwaarden en het reclasseringstoezicht zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.847,81 (bestaande uit € 1.197,81 aan materiële schade en € 650,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2020, met verwijzing van de verdachte in de proceskosten, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voorts is van de voorwaardelijk opgelegde straffen met parketnummers 22-002966-18 en 10-212535-17 de tenuitvoerlegging gelast.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, daaraan de bijzondere voorwaarden zoals in eerste aanleg uitgesproken te verbinden en de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel (duur gijzeling 34 dagen).
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en afwijzing van de vordering van de benadeelde partij. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd en zich voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het toe te wijzen bedrag geschaard achter de beslissing van de rechtbank.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de redengeving waarop dit berust.
De standpunten van de verdediging die ter terechtzitting zijn betoogd brengen het hof niet tot andere overwegingen of een ander oordeel dan de rechtbank. Het verweer van de verdediging, inhoudende dat er geen overtuigend bewijs is dat het de verdachte is geweest die de poging tot diefstal met geweld heeft gepleegd, wordt door de bewijsmiddelen en de overweging van de rechtbank weerlegd, welke bewijsmiddelen en bewijsoverweging door het hof worden overgenomen.
In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. De verdachte heeft immers op 18 december 2020 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 23 januari 2023 - en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep - arrest wijst. Deze overschrijding valt niet geheel aan de verdachte toe te rekenen. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Echter gelet op de geringe duur van de overschrijding ziet het hof geen reden voor compensatie in de vorm van strafvermindering. Het hof zal volstaan met de enkele constatering van de schending van de redelijke termijn.
In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ter zake van de aard en de omvang van de opgelegde sanctie(s) ziet het hof geen aanleiding om te komen tot een andere beslissing dan de rechtbank.

BESLISSING

Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door:
mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,
mr. F. van Es en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 23 januari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. N.I.B.M. Buljevic zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.