In hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd door toevoeging van een meer subsidiair feit, maar het hof schaart zich achter de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde, waardoor vernietiging van het vonnis van de rechtbank niet nodig is.
De verdachte was door de rechtbank veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, voor poging tot verkrachting. De verdediging voerde onder meer aan dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar was en dat onvoldoende bewijs bestond voor het opzet tot verkrachting. Het hof verwierp deze verweren en achtte het opzet voldoende bewezen.
Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het feit, de relatie tussen verdachte en aangeefster, en persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het staken van verdere pogingen en een afgeronde behandeling. Het hof legde een gevangenisstraf van 360 dagen op, waarvan 358 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 200 uur. Door de overschrijding van de redelijke termijn is het onvoorwaardelijke gedeelte verder gematigd, zodat verdachte niet terug in detentie hoeft.
Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank voor het overige en wijzigt alleen de strafoplegging. Er worden geen bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf verbonden vanwege het lage recidiverisico en het feit dat verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met justitie.